HET LEVEN VAN JEZUS CHRISTUS
door de eeuwen heen inspiratiebron voor religieuze kunst
Door Piet van Antwerpen
Vrijwilliger museum voor religieuze kunst

JOACHIM EN ANNA (1. Meester van Joachim en Anna, ca. 1480, eikenhout,
Rijksmuseum; 2. prentje uit prentjesverzameling)
Anna was de vrouw van Joachim, een oudere priester, die behoorde tot het huis van David. Hun huwelijk bleef kinderloos omdat Joachim onvruchtbaar was. Vaak hadden zij tot God gebeden om kinderen te krijgen en uiteindelijk zou hun gebed verhoord worden. Toen Joachim op zekere dag op het veld was verscheen hem een engel, die hem voorspelde dat zijn vrouw een dochter zou baren en dat zij haar Maria zouden noemen. “En dit zal U een teken zijn”, zei de engel. “Als U de Gouden Poort in Jerusalem bereikt, zal Uw vrouw U daar tegemoet komen en zij zal zich verheugen U te zien”. De engel verscheen daarna ook aan Anna en openbaarde haar ook wat hij Joachim had gezegd. Zij ontmoetten elkaar bij de Gouden Poort. Anna werd zwanger en baarde een meisje, dat zij Maria noemden.
Het was een bijzondere geboorte, zo leert ons de katholieke kerk in het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Maria is zonder de erfzonde ontvangen. Deze kerkelijke leerstelling wordt door Paus Pius IX afgekondigd op 8 december 1854
In het Nieuwe Testament staan Joachim en Anna niet vermeld als de ouders van Maria. We moeten hiervoor het apocriefe protevangelie van Jacobus raadplegen. In dit evangelie wordt het leven van Maria vóór, tijdens en na de geboorte van Jezus zeer uitvoerig beschreven. De naam “proto-evangelie” (eerste evangelie) doet het voorkomen dat Jacobus Minor, de oudere stiefbroer van Jezus, het evangelie lang voor de andere evangelies geschreven heeft.
GEBOORTE VAN DE ALLERHEILIGSTE MOEDER GODS (icoon Rusland, ca. 1800)
Centraal op deze icoon zit de heilige Anna op het met witte lakens gedekte kraambed. Links ontmoeten Joachim en Anna elkaar onder de Gouden Poort in Jerusalem. Onder dit tafereel zit de vroedvrouw met op haar schoot de in doeken gewikkelde boreling. Op de voorgrond maakt een assistente het bad gereed. Rechts van de centrale voorstelling zitten Joachim en Anna met tussen hen in de kleine Moeder Gods. In de bovenhoeken brengen twee engelen aan Joachim en Anna de boodschap dat zij, ondanks hun hoge leeftijd, toch nog vader en moeder zullen worden. De icoon wordt aan de bovenzijde afgesloten door God de Vader, die zijn handen zegenend uitstrekt.
De geboorte van Maria wordt zowel in de katholieke kerk als in de orthodoxe kerk gevierd op 8 september.

ANNA MET MARIA (1. Petrus Verhoeven, ca. 1780, lindehout. 2.
prentje van de Antwerpse graveur Cornelis van Merlen (1654-1723) uit
prentjesverzameling
De beeldhouwer en schrijnwerker Petrus Verhoeven werd in 1729 in Uden geboren. Het is niet bekend of hij zijn geboortestreek ooit verlaten heeft om, zoals zijn wat oudere tijdgenoot Walter Pompe uit Lith elders een opleiding tot beeldhouwer te volgen. Wellicht heeft hij na de lagere school de Latijnse school van de Kruisheren in Uden bezocht. Zijn werk draagt een autodidactisch karakter en leunt sterk op voorbeelden uit de barok van de Zuidelijke Nederlanden. Walter Pompe is de maker van elegante barok. Petrus Verhoeven vormt hierop een meer regionale, wat boerse variant. Bekend van hem zijn ook de reliekhouders van Antonius Abt en Rochus, die hij maakte van gepolychromeerd lindehout en de monstrans van verguld hout, die hij in 1782 maakte voor de pastoor van Ewijk. Deze monstrans is een kopie van de zilveren stralenmonstrans, die de zilversmid Jacobus Smits uit Den Bosch in 1715 maakte voor de St. Petruskerk in Uden.

BOODSCHAP AAN DE MOEDER GODS (1. icoon, Rusland, ca. 1800; 2. prentje
“Annunciata”, Praag, ca. 1800 uit
prentjesverzameling)
Maria kijkt verschrikt op wanneer een vreemde engel haar vertrek is binnen gekomen. Zij wordt gestoord bij het spinnen: een zijdedraad valt over haar kleed en het spinklosje dreigt uit haar geopende en afwerende rechterhand te vallen. De vreemde bode is de aartsengel Gabriël. Tussen de aartsengel en Maria daalt vanuit een wolk een duif naar beneden, het symbool van de Heilige Geest.
Op deze icoon wordt verbeeld wat Lucas verhaalt in zijn evangelie (hoofdstuk 1, vers 26-38): “In de zesde maand werd de engel Gabriël door God naar een stad in Galilea gezonden, Nazareth genaamd. En wel naar een maagd, die verloofd was met een man, die Jozef heette en uit het huis van David stamde. De naam van deze maagd was Maria. De engel trad bij haar binnen en sprak: “Wees Gegroet Maria, vol van Genade, de Heer is met U: gij bent de gezegende onder de vrouwen”.
Het feest van “Maria Boodschap” ook wel “Annunciatie” genoemd, wordt gevierd op 25 maart.
VERLOVING VAN MARIA EN JOZEF (Hendrik van der Geld,)
In het evangelie van Lucas wordt in hoofdstuk 1, vers 4-5, verhaald over Jozef, die met Maria, zijn verloofde vrouw, die in gezegende omstandigheden was, naar Betlehem ging om zich aan te geven voor een door keizer Augustus bevolen volkstelling. In de bijbel wordt verder nergens over de verloving (de sjidduch) van Jozef en Maria gesproken.
In principe bestond bij de Joden geen verschil tussen verloving en geboorten. Wanneer men elkaar eenmaal de trouwbelofte had gedaan kwam de status van een verloofde vrouw in vele opzichten overeen met die van een gehuwde vrouw. Het huwelijk werd formeel eerst als voltrokken beschouwd, wanneer de bruidegom zijn bruid plechtig de woning binnenleidde.
Hendrik van der Geld was de belangrijkste en meest creatieve beeldhouwer van de neogotiek in Brabant en mogelijk zelfs in Nederland. Hij werd in 1838 in Elshout geboren en overleed in 1914 in Den Bosch. Hij vervaardigde o.a. het Sacramentsaltaar in de Sint Janskathedraal in Den Bosch, restaureerde daar ook de kerkbanken en hij heeft beeldhouwwerk gemaakt voor kerken in Düsseldorf en Kleef en kerken in o.a. Cuyk, Gemert, Den Bosch, Oss, Boxtel en Zeeland. In de neogotiekzaal van het museum staat van hem, naast een aantal beelden en enkele kruiswegstaties, het in 1902 vervaardigde Hoogaltaar uit de kapel van “De Ruwenberg”, een voormalig katholiek onderwijsinstituut in Sint Michielsgestel.

MARIA IMMACULATA (1. Antwerpen, 1680-1690, lindehout; 2.
prentje van L.Fruijtiers, 1713-1782 uit prentjesverzameling.
In 1979 waren ontstond onder Maria-vereerders in Den Bosch enige opwinding toen dit beeld van geschilderd lindehout vanuit het Bisschoppelijk Museum verhuisde naar het Museum voor Religieuze Kunst in Uden. Zij vreesden dat een belangrijk devotiebeeld van Maria de stad ging verlaten. Maar deze vrees was ten onrechte. Het beeld behoorde niet tot de Mariale devotiecultuur van de stad maar had sinds jaar en dag een museale functie. Ook de veronderstelling dat het beeld deel zou hebben uitgemaakt van het kunstpatrimonium van de schuilkerk van Sint Jacob ligt niet erg voor de hand. Waarschijnlijk is het beeld afkomstig van de Sint Michiels-abdij in Antwerpen en is het rond 1800 in het kader van een grootschalige import van barokke beelden uit de Zuidelijke Nederlanden in Den Bosch gekomen. Precies negen maanden voor het feest van Maria Geboorte (8 september) viert de katholieke kerk op 8 december het hoogfeest van de onbevlekte ontvangenis van Maria.
MARIA BEZOEKT ELISABETH (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout,
Rijksmuseum)
Dit beeld is een fragment van het Maria-altaar dat Adriaen Van Wesel in de jaren 1475-1477 in opdracht van de Illustere O.L.Vrouwe Broederschap maakte voor de Sint Jan in Den Bosch. Maria en haar nicht Elisabeth, die beiden zwanger waren, ontmoeten elkaar voor de openstaande deur van het woonhuis van Elisabeth.

GEBOORTE VAN JEZUS (1. icoon Rusland, 2e helft 19e eeuw; 2. prentje van
de Antwerpse graveur Cornelius de Boudt (1660-1735) uit
prentjesverzameling)
De belangrijkste bron voor het uitbeelden van de geboorte van Christus is het evangelie van Lucas. De geboorte van Christus wordt op deze icoon volgens de klassiek Byzantijnse wijze uitgebeeld.Maria ligt uitgestrekt op een rood rustbed en achter haar, in doeken gewikkeld, ligt Jezus in een stenen voederbak, met daarachter de os en de ezel. De Moeder Gods, in gedachten verzonken, heeft zich afgewend van het Kind en richt haar blik op Jozef. Deze afwezige houding benadrukt het goddelijk karakter van Jezus. Hij is niet afhankelijk van menselijke zorg. Rechts boven brengt een engel, geheel overeenkomstig het verhaal van de evangelist Lucas, de boodschap van de geboorte aan een herder.
In de linkerbenedenhoek wordt een in gedachten verzonken Jozef bezocht door een oude man. Sommigen zeggen dat het hier gaat om de geest van de twijfel, die Jozef plaagt, anderen zien in de oude man de duivel, die Jozef kwelt met vragen over de maagdelijkheid van Maria, en weer anderen zien in hem de profeet Jesaja, die Jozef herinnert aan zijn profetie over de maagdelijkheid van de Moeder Gods en de geboorte van Jezus “God met ons”. Het takje in zijn rechterhand verwijst dan naar het twijgje, dat aan de boom van Jesse zal ontspruiten.
Apocrief – niet bijbels erkend - zijn de scènes van Jozef en van de vroedvrouw, die de kleine Christus voorbereidt op het bad.
KNIELENDE MARIA (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout, Rijksmuseum)
Maria, de jonge moeder, zit met gevouwen handen in aanbidding voor haar kind in de kribbe. Het beeld is een fragment van het Maria-altaar, dat door Adriaen van Wesel in de jaren 1475-1477 werd gemaakt voor de kathedrale basiliek van Sint Jan in Den Bosch in opdracht van de Illustere O.L.Vrouwe Broederschap. In dit altaar werden scènes uitgebeeld uit het leven van Maria. Dit beeld is een fragment van de scène “Aanbidding van het kind” en werd in 1901 door het Rijksmuseum met steun van de vereniging Rembrandt aangekocht uit de verzameling van de Baron van den Bogaerde in Heeswijk.
MUSICERENDE ENGELEN (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout,
Rijksmuseum)
Deze groep van drie engelen met Jozef maakte ook, zoals de “Knielende Maria”, deel uit van het Maria-altaar, dat Adriaen van Wesel maakte voor de ”Sint Jan “ in opdracht van de Illustere O.L.Vrouwe Broederschap. Ook dit werk is een fragment van de scène “Aanbidding van het kind”.
Drie engelen zijn muziek aan het maken ter ere van de pasgeboren Jezus. Achter de engelen staat Jozef. Van zijn gezicht straalt oprechte verbazing uit vanwege het wonder van de geboorte van Jezus.
De beelden van Adriaen van Wesel hebben een aantal duidelijke kenmerken: de zeer gedetailleerde uitwerking van de gezichten, het pruikachtig hoofdhaar en het aanzetten van de oogleden, waarbij het onderste ooglid wat naar beneden getrokken is.
De muziekinstrumenten zijn uit van Wesels tijd. De linker engel heeft een vedel, een soort viool, op zijn schouder liggen, de middelste engel bespeelt een luit en de voorste engel een clavichord. Een vedel was in de Middeleeuwen een populair instrument met zes snaren dat werd bespeeld met een strijkstok. De luit, een getokkeld snaarinstrument, was zeer populair tijdens de late Middeleeuwen en de Renaissance. Een clavichord is een klein klavierinstrument met snaren, waarvan de klank zacht is en wel wat lijkt op die van een luit.
Ook dit fragment van het Maria-altaar werd in 1901 door het Rijksmuseum aangekocht uit de verzameling van Baron van den Bogaerde in Heeswijk.
HERDERS BIJ DE KRIBBE (Hendrik van der Geld, ca. 1890)
Raadpleeg voor gegevens over Hendrik van der Geld en zijn werk de toelichting bij beeldengroep “Verloving van Maria en Jozef”.
AANBIDDING DER KONINGEN (Olieverfschildering op paneel van Pieter
Coecke van Aelst, ca. 1520)
Pieter Coecke van Aelst (1502-1550) was een veelzijdig Vlaams kunstenaar. Hij studeerde in Italië van 1521 - 1525, waar hij werd beïnvloed door de Renaissance. Hij was schilder, beeldhouwer, architect, ontwerper van gebrandschilderde ramen en van prenten. Hij behoorde tot de romantische school in Antwerpen en was o.a. leermeester van Pieter Breughel de Oude en van Peter Paul Rubens. Er zijn maar weinig schilderijen van hem bekend. Veel van zijn religieuze schilderijen zijn tijdens de Beeldenstorm verloren gegaan.
Dit drieluik, oorspronkelijk afkomstig uit het middeleeuwse klooster van de Franciscanen in Den Bosch, kon dank zij de financiële hulp van de Stichting Vrienden van het Museum voor Religieuze Kunst worden aangekocht.


VLUCHT NAAR EGYPTE (prentjes o.a. van de Antwerpse graveur
Theodorus van Merlen (1609-1672) uit prentenverzameling)
TERUGKEER UIT EGYPTE (Dries Holthuis, ca. 1500, eikenhout)
Dit eikenhouten beeld van rond 1500 wordt toegeschreven aan Dries Holthuis. Het is vooral vanwege zijn voorstelling een zeldzaam beeld. De druiventros in de rechterhand en het uiteinde van de bidsnoer in de linkerhand van Jozef ontbreken. De polychromie is verwijderd. De rechterhand van het kind, de wandelstok en het voetstuk zijn later vernieuwd. De oudst bekende herkomst van het beeld is de priorij (Nieuw) Soeterbeeck in Deursen.

BESNIJDENIS VAN JEZUS (1. schilderij van Constant
Nieuwenhuizen, 1962, 3588, 2. detail van kazuifel uit Zuid Nederland,
1480-1490)
De besnijdenis bestond al in praehistorische tijden en is een chirurgische ingreep aan de geslachtsdelen. Bij de Joden werd de besnijdenis alleen bij mannen voltrokken door het wegnemen van de voorhuid. Elk mannelijk kind werd op de achtste dag na de geboorte besneden. De besnijdenis werd door Jahweh opgelegd aan Abraham en zijn nakomelingen als een godsdienstige plechtigheid. (Genesis hoofdstuk 17, vers 10-14). Daardoor werd de boreling ingelijfd in het Joodse volk en nam de verplichtingen van de wet op zich. Hij werd er door herinnerd zijn hart te besnijden, d.w.z. van boosheid te reinigen.
De besnijdenis vond vroeger in het algemeen plaats in de synagoge. Nu veelal thuis. Het kind legt men in de schoot van de “sandek”, meestal de grootvader. De besnijdenis wordt verricht door een arts. Na de plechtigheid van het besnijden volgen het uitbrengen van zegenwensen, het drinken van een beker wijn, het geven van een Hebreeuwse naam en een feestmaal.

OPDRACHT VAN JEZUS IN DE TEMPEL (1. icoon Rusland, eind 18e eeuw, 2303;
2. prentje van Jacobus de Man, 1650-1719, uit prentjesverzameling)
Na de bevalling was Maria volgens de Joodse wet veertig dagen onrein. Toen die tijd voorbij was ging zij met haar man naar Jerusalem om te voldoen aan het wettelijk voorschrift dat elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht aan God moest worden opgedragen. De eerstgeborenen moesten eigenlijk de functies van de eredienst verrichten. Om die functies te verrichten had God in hun plaats de stam van Levi aangesteld. (de Levieten zijn de priesters in de tempel). Als verplichting bleef echter bestaan de opdracht in de tempel en het brengen van een offer. Volgens de wet hoefden arme mensen maar twee tortelduiven of twee jonge duiven te geven. Jozef offerde tweejonge duiven. Er staat niet in de Joodse wet dat de opdracht in de tempel moest gebeuren. Deze gewoonte is later ingevoerd. De opdracht werd tegelijk gedaan met de wettelijke reiniging van de moeder. In de Katholieke kerk kende men vroeger na de geboorte van een kind de kerkgang van de moeder. Dat ook Maria en Jozef zich hielden aan de wettelijke opdracht van hun eerstgeboren zoon aan God wordt in de bijbel alleen vermeld in het evangelie van Lucas. Bij gelegenheid van deze opdracht had ook de ontmoeting plaats met Simeon en de profetes Anna.
Simeon was een oude vrome man, die, zoals de H.Geest hem beloofd had, pas zou sterven als hij Christus ontmoet had. Hij nam het kind in zijn armen en begon God te prijzen. Verwonderd luisterden Jozef en Maria naar wat Simeon over hun kind zei. Simeon noemde hen bevoorrechte mensen.“Maar” zo waarschuwde hij Maria, ”er zal een zwaard door uw ziel gaan. Want velen in Israel zullen zich aan dit kind ergeren, tot hun eigen ongeluk. Maar vele anderen zal Hij de grootste vreugde geven”. Deze voorspelling is bekend als een van de zeven smarten van Maria.
Er was in de tempel ook een profetes, Anna, die 84 jaar oud was. Zeven jaar na haar huwelijk was haar man gestorven.En nu kwam ze nooit meer buiten de tempel. Dag en nacht bleef zij daar om God te dienen met vasten en bidden. Ook zij dankte God en sprak lovende woorden tot Jozef en Maria
MARIA MET KIND OMGEVEN DOOR MUSICERENDE ENGELEN (Jacob Cornelisz. van
Oostsanen, 1518, olieverf op paneel)
Dit drieluik werd in 1518 geschilderd door Jacob Cornelisz. van Oostsanen in opdracht van Joris Sampson uit Den Bosch, die met zijn gezin op de drie luiken is afgebeeld. Hij was gasthuismeester en behoorde tot de vooraanstaande burgers van de stad.
Op het middenpaneel van het triptiek is Maria met het Christuskind voorgesteld. Maria staat achter een borstwering en houdt Jezus vast, die naar het instrument grijpt van een engeltje links op de voorgrond. Op een verhoging achter Maria zitten vijf engeltjes te musiceren. Op de achtergrond spelen zich verschillende gebeurtenissen af, waaronder de kindermoord in Bethlehem en de vlucht naar Egypte. Boven dit alles troont God de Vader, omringd door een grote groep musicerende engeltjes.
Op het linker paneel is Joris Sampson afgebeeld, neerknielend op een bidstoel. Achter Joris knielt zijn zoontje. Het rode kruisje dat hij in zijn handen houdt duidt er op dat hij ten tijde van het maken van de schildering reeds gestorven was. Achter hen staat Joris, de naamheilige van de opdrachtgever. Op het kleed, dat over de knielbank hangt, staan het jaar 1518, het wapenschild van Joris Sampson, zijn leeftijd (37 jaar) en als omranding een gebed.
Op het rechter paneel is Engelken Colen, de vrouw van Joris Sampson afgebeeld. Over de knielbank, waarop zij zit, is een kleed gelegd met opnieuw het jaartal 1518, haar leeftijd (35 jaar), een kort gebed en haar wapenschild.Achter haar is een Anna te Drieën geplaatst. Achter haar knielen haar zes dochters. De oudste is gehuld in het ordekleed van de Augustinessen. De drie meisjes, die in het wit gekleed zijn, verbeelden de drie jonggestorven dochters van het echtpaar.
Opvallend is dat Engelken Colen op het rechter paneel niet is vergezeld van haar naamheilige Angela, maar van moeder Anna met Maria en Jezus. De verklaring hiervan zou kunnen zijn dat Anna hier staat als patrones van een goede bevalling en van een gezond nageslacht. Het echtpaar zou in hun zestiende huwelijksjaar het drieluik hebben laten schilderen naar aanleiding van de dood van hun zoontje. Het overlijden van hun enige zoon moet voor het echtpaar een dramatische gebeurtenis geweest zijn en Joris en Engelken hadden dus alle reden om zich tot de heilige Anna te wenden in de hoop op een nieuw mannelijk nageslacht.
Over Jacob Corneliszoon van Oostsanen is niet veel met zekerheid te zeggen. Hij werd geboren in Oostzaan rond 1470 en zou rond 1533 in Amsterdam overleden zijn. Hij genoot zijn opleiding in Haarlem en werkte in Amsterdam. Om die laatste reden is hij door kunsthistorici lange tijd Jacob Corneliszoon van Amsterdam genoemd. Zijn werk bestaat uit schilderijen, houtsneden, gewelfschilderingen in Noord-Hollandse kerken, ontwerpen voor misgewaden en gebrandschilderde ramen. Hij werkte in de overgangstijd van de late Middeleeuwen naar de Renaissance. Veel van zijn religieuze werk is tijdens de Beeldenstorm verloren gegaan.
MOEDER GODS VAN DE HYMNE, ZIJ DIE HET MEEST WAARD IS GEPREZEN TE WORDEN
(icoon Rusland, eerste helft 19e eeuw)
Het meest opvallende aan deze icoon zijn de drie engelenkopjes op de kleding van de Moeder Gods, op schouderhoogte en op haar voorhoofd , die de traditionele sterren vervangen en haar maagdelijkheid symboliseren. Kenmerkend zijn ook de zomen van de hoofddoek en de mantel, waarop de woorden van een Maria-hymne geschilderd zijn.
Op de randen van de icoon zijn naast de Engelbewaarder (links boven) nog vijf andere heiligen geschilderd.
MARIA, BESLOTEN HOF ( Zuidelijke Nederlanden, ca. 1660, olieverf op
koper)
Het schilderij “Maria, Besloten Hof”, rond 1600 vervaardigd door een onbekende Zuid-Nederlandse schilder, kent enige verwantschap met het kleine schilderijtje “Madonna bij de fontein” van de Vlaamse schilder Jan van Eijck, dat door hem in 1439 werd vervaardigd en waarop Maria met het kind Jezus wordt afgebeeld in een krans van zeer minutieus geschilderde bloemen.
MARIA MET KIND (Zuidelijke Nederlanden, ca.1880, onder stolp, van glas,
biscuit, porselein, veren, zilver)
Glazen stolpen hebben een oude geschiedenis maar werden vooral in de loop van de negentiende eeuw op grote schaal gebruikt ter bescherming van klokken en beeldjes. Zij worden meestel op een zwart geschilderde houten plaat gezet, waarin een gleuf is uitgespaard, die het schuiven van de stolp moet voorkomen. Rond de voet van de stolp wordt een rood chenillekoord (soort fluweel) geschoven om mogelijke oneffenheden te verbergen en om de kwetsbare onderkant van de stolp te beschermen.
Onder de stolp wordt een beeldje of een beeldengroep geplaatst en niet zelden worden hier bloemen, vaasjes met veren, engeltjes en andere sieraden toegevoegd. Gebeurt dit met een Mariabeeldje dan ontstaat een zogenaamd “Besloten Hofje”. Een eerbetoon aan Maria door middel van versierende elementen die teruggaan op het “Hooglied”. Het “Hooglied” is een van de boeken van het Oude Testament. De inhoud van het boek bestaat uit een tweespraak tussen twee geliefden: Salomo en de Sulamietische vrouw, een herderin van eenvoudige afkomst.
MADONNA MET DE PEER (Meester van Frankfurt, 1500-1510, olieverf op
paneel)
Het paneel, dat in de 19e eeuw in een kelder in Roermond gevonden zou zijn, geeft Maria zittend in een landschap weer. Op haar schoot zit het naakte Christuskind, met om de hals een rozenkrans van bloedkoralen. Deze bloedkoralen worden geacht te verwijzen naar het lijden dat het Christuskind nog te wachten stond. De peer, die Maria in haar linkerhand houdt wordt geacht een verwijzing te zijn naar Christus als tweede Adam. De peer zou dan de tegenhanger zijn van de appel, de verboden vrucht, waarvan Adam en Eva in het paradijs gegeten hadden.
CHRISTUSKIND (Mechelen, begin 16e eeuw, gepolychromeerd
eikenhout)
Dit “Mechels Pupke” dateert uit het begin van de 16e eeuw en is afkomstig uit de Abdij “Maria Refugie”. De polychromie is vernieuwd. Het beeldje is in de loop van de 19e eeuw gekuist. Van deze preutsheid werden niet alleen de genitaliën maar ook de billen het slachtoffer. Christus wordt hier uitgebeeld als een jongetje van ongeveer twee jaar. Hij staat hier op een sjiek sokkeltje, dat met een kussen is bedekt. Met zijn rechterhand maakt hij het klassieke zegeningsgebaar; met zijn linkerhand toont hij de Rijksappel, die refereert aan de heerschappij over hemel en aarde. Het kruis op de Rijksappel ontbreekt.
De stad Mechelen genoot rond 1500 bekendheid door de productie van kleine vrijstaande beeldjes, die vanwege hun popachtige uiterlijk ook wel “Poupees de Malines” of “Mechelse Pupkes”werden genoemd. Deze Christuskindjes zouden populair worden in Duitsland, Oostenrijk en in de Bourgondische Nederlanden, waartoe ook het Hertogdom Brabant gerekend kon worden. Het zijn inmiddels kostbare devotiebeeldjes. Het meest bekende onder deze Christusbeeldjes is het “Kindje Jezus van Praag”, een Vlaams-Spaans beeldje dat omstreeks 1628 vanuit Spanje werd overgebracht naar een Karmelietessenklooster in Praag.
Het beeldje is een prototype van Mechels atelierwerk van hoog niveau. Het ponsoen “M” voor de kwaliteit van de polychromie is aan de voorzijde van het sokkeltje tussen de twee groene takjes in het hout geslagen. Het keurmerk voor de kwaliteit van het hout en het snijwerk – veelal vier, soms drie verticale balkjes – is mogelijk onder het inkarnaat van de rugzijde verborgen.
HEILIGE FAMILIE (Frankrijk, ca. 1850, onder glazen stolp, van gips)
In een goed katholiek omgeving mocht de H.Familie onder een glazen stolp niet ontbreken. De oudste van hen zijn nog in een neo-barokke stijl en sober wit van kleur. Vooral de oprichting van de “Aartsbroederschap van de H.Familie”in het midden van de negentiende eeuw gaf een nieuwe impuls aan de devotie tot de H.Familie. Hierdoor steeg de vraag naar dergelijke stolpgroepen spectaculair.
HEILIGE FAMILIE IN WERKPLAATS VAN JOZEF (Hendrik van der Geld, 7695)
Raadpleeg voor gegevens over Hendrik van der Geld en zijn werk de toelichting bij de beeldengroep “Verloving van Maria en Jozef”.

DE TWAALFJARIGE JEZUS IN DE TEMPEL (1. icoon Rusland, begin19e
eeuw; 2. prentje van onbekend graveur uit prentjesverzameling
Ook deze icoon beeldt één van de Zeven Smarten van Maria uit, in het westen bekend onder de naam “De twaalfjarige Jezus in de tempel”.De achtergrond suggereert het interieur van de tempel, waarin Christus zit met om hem heen de schriftgeleerden. In de rechterbovenhoek verschijnen Maria en Jozef die na een lange zoektocht eindelijk hun Zoon terugvinden in de tempel.

DOOP VAN JEZUS IN DE JORDAAN (1. icoon Rusland,
tweede helft 18e eeuw; prentje van Cornelis Galle,1576-165, uit
prentjesverzameling)
Aanvankelijk achtte Johannes de Doper zich niet waardig om Jezus te dopen maar Jezus drong bij hem aan om hem toch te dopen “want zo horen wij te handelen om alle gerechtigheid te vervullen”. Johannes zou namens de mensheid de eerste getuige worden van Gods openbaring. Mattheus schrijft hierover: “Toen Jezus gedoopt was steeg hij meteen uit het water. En zie, de hemelen openden zich en Hij zag de Geest Gods als een duif nederdalen en over Zich komen. En een stem uit de hemel sprak: Deze is mijn welbeminde Zoon, in Wien ik mijn welbehagen heb”.
Op de icoon opent de hemel zich en verschijnt de Heer der Hemelse machten in een olijfgroene wol, van waaruit drie lichtstalen op Christus vallen. In de stralenbundel, die voor de Drieëenheid staat, zweeft in een cirkel een duif, het symbool van het Heilige Geest, die neerdaalt op het hoofd van Christus. Aan de rechterzijde van de icoon staan drie engelen klaar met doeken om hun Heer te dienen als hij uit het water komt.

ONTHOOFDING VAN JOHANNES DE VOORLOPER (1. icoon Rusland, midden 18e
eeuw; 2. prentje van onbekende graveur uit prentjesverzameling
Het westen kent twee feestdagen, die aan Johannes de Doper zijn gewijd: het feest van zijn geboorte op 24 juni en dat van zijn onthoofding op 29 augustus. De Oosterse kerken eren hem echter met maar liefst zes feestdagen.
Links boven op de icoon knielt Johannes, gevangen achter een palissade, waarvan de poort open staat. Hij richt zich met geheven handen tot God de Vader, die zich in een krans van wolken, hoog verheft boven de dramatische handeling van de onthoofding van Johannes. De beul drukt het hoofd van Johannes met kracht naar beneden en heft met zijn rechterhand het zwaard.
In de rechter benedenhoek overhandigt de beul het hoofd van Johannes op een schotel aan Salomé. In het rechter bovenhoek is te zien hoe Salomé met een dans Herodes van de wijs brengt. Herodus, herkenbaar aan zijn witte muts zit met zijn gasten, waaronder zijn minnares Herodias, achter een rijk gedekte tafel. Diep onder de indruk van haar dans vraagt hij aan Salomé wat zij zou willen hebben. Mede op aandringen van haar moeder Herodias vroeg zij om het hoofd van Johannes op een schotel. Herodias haatte Johannes omdat hij haar in het openbaar verwijten had gemaakt over haar overspelig gedrag.
SINT JANSSCHOTEL (Noordelijk deel hertogdom Brabant,eerste helft 16e
eeuw, gepolychromeerd
eikenhout)
Dit beeld, waarvan de polychromie grotendeels is vernieuwd werd in langdurige bruikleen aan het museum afgestaan door de parochie van Sint Jan Geboorte in Oerle bij Veldhoven.
Daar werd en wordt op 29 augustus het feest van Johannes Onthoofding gevierd. Bekend is dat in 1685 de schotel met het hoofd van Johannes in processie werd rondgedragen en dat dit “paeps”gebruik niet erg welgevallig was aan de Staten-Generaal.
Een ander ritueel was dat o.a. in Oerle, maar ook in Stramproy op de feestdag van Sint Jan z.g. “Sint Jan-trossen” werden gezegend en aan de huizen opgehangen. Zij zouden de huizen vrijwaren van kwade geesten, ziekten en rampen. Zij werden samengesteld uit verschillende kruiden, waaronder het Sint-Janskruid, een vetplantje met gaatjes in de bladeren. Gaatjes die er door de duivel ingeprikt zouden zijn, waardoor dit plantje ook wel “Jaag den duivel”wordt genoemd.
APOSTELEN (koperplaten van Henrick Goltzius 1589)
Het museum beschikt over een uiterst zeldzame serie koperplaten, daterend uit 1589 van de graveur Hendrik Goltzius. Zij beelden halffiguren van de apostelen uit en maken deel uit van een serie van 14 platen; helaas ontbreken er drie. Zij werden in 1986 bij toeval ontdekt in een kloosterbibliotheek en aan het museum geschonken.
Een kopergravure wordt gemaakt op een glad gepolijste plaat koper. Met een burijn (een graveerbeitel met een scherp driehoekig uiteinde) wordt op de koperplaat een voorstelling gegraveerd. Met een schraapstaal worden de overbodige koperkrullen (braam) weggehaald en wordt de plaat, indien nodig, weer glad gemaakt. De gravurelijn is te herkennen aan het aanzwellen en weer afnemen van de lijn, een gevolg van de driehoekige vorm van de burijn. De kopergravure is een lijnprocédé: egale vlakken kunnen niet worden gedrukt. Om een vlak te suggereren gebruikt men arceringen. Bij het inkten wordt dikke drukinkt met een gewatteerd kussentje over de hele oppervlakte van de plaat verspreid, waarbij de groeven gevuld moeten worden. Daarna wordt de overtollige inkt van de plaat geveegd, zodat alleen inkt in de voegen achterblijft. De plaat wordt onder een kopdrukpers afgedrukt op papier. Van een kopergravure kunnen, afhankelijk van de diepte van de lijnen, 300 tot 800 afdrukken worden gemaakt. In de 19e eeuw werd vaak gebruik gemaakt van de staalgravure. Staal is veel harder dab koper en minder aan slijtage onderhevig, zodat een grotere oplage mogelijk werd.
INTOCHT IN JERUSALEM (icoon Rusland, midden 19e eeuw)
Links op de icoon een gestileerd rotslandschap dat verwijst naar de Olijfberg, met daarop een boom, waarin een jongen geklommen is om palmtakken af te snijden. Andere, ook in het wit geklede jongens spreiden hun manteltjes uit over de grond. Voor de poorten van de stad staat een groep Joden, die door Jezus gezegend wordt, terwijl Hij op zijn lastdier – een ezelsveulen – in hun richting naar Jerusalem rijdt.
Gelijktijdig wendt hij zich van hen af en richt zich tot zijn volgelingen. Voorop lopen de apostelen Petrus en Filippus, die met elkaar in gesprek lijken te zijn.
Meestal wordt Jezus in amazonezit afgebeeld, hier zit hij als een volwaardig ruiter op het lastdier, dat eerder op een schimmel dan op het geprofeteerde ezelsveulen lijkt.
LAATSTE AVONDMAAL (Noordelijke Nederlanden,1515-1520, eikenhout)
Tijdens het Laatste Avondmaal neemt Christus afscheid van zijn leerlingen. Het is een zeer dramatische bijeenkomst vol met menselijke zwakheden, maar tevens het moment waarop Christus de H.Eucharistie heeft ingesteld. Bij het breken van het brood en het drinken van de wijn sprak hij de woorden uit: “Telkens als gij dit doet, zult gij het doen ter gedachtenis aan mij”. In de canon van de H. Eucharistieviering luidt deze tekst thans: “Blijft dit doen om mij te gedenken”
Petrus met zijn kalende kop en zware baard bezweert dat hij Christus niet verraden zal. Judas is voor iedereen herkenbaar aan de geldbuidel op zijn rug. Johannes, de jongste van de leerlingen legt zijn hoofd tegen de borst van Jezus.
In de beeldengroep heeft een van de apostelen zijn hoofd en Petrus zijn rechterhand verloren.
LAATSTE AVONDMAAL (Leonardo da Vinci, ca. 1507, Museum Abdij van
Tongerlo)
Dit meest bekende schilderij van Leonardo da Vinci werd in 1545 in Antwerpen aangekocht voor de Abdij van Tongerlo. Tot 1798 was het schilderij het pronkstuk van de voormalige abdijkerk. Tijdens de Franse Revolutie werd het verborgen in de schuur van een familie in Herselt. Sinds 1966 is het tentoongesteld in het Da Vinci-museum in Tongerlo.
Opvallend zijn het jeugdige en ietwat vrouwelijke uiterlijk van de lievelingsleerling Johannes, die rechts van Jezus zit; de geldbeurs van Judas Iskariot met daarnaast het omgestoten zoutvat; het gezicht van de apostel Judas Taddeus, dat vermoedelijk een zelfportret van Leonardo da Vinci is.
LAATSTE AVONDMAAL (icoon Rusland, begin 19e eeuw)
Deze kleine gewelfde icoon is waarschijnlijk afkomstig van een reisiconostase en geeft het feest weer van Witte Donderdag, waarop het Laatste Avondmaal van Christus wordt herdacht, en de katholieke kerk de instelling van de Heilige Eucharistie viert. In het midden legt Johannes, de lievelingsleerling van Jezus, zijn hoofd aan de borst van Christus. Voor Christus staat de kelk, terwijl voor ieder van de apostelen een broodje op tafel ligt. Kelk en brood symboliseren het lichaam en bloed van Christus
HOF VAN OLIJVEN (Adriaen van Wesel, ca. 1470, eikenhout)
Dit groepje van vier kleine beeldjes – het grootste komt nauwelijks boven de 20 cm. – verbeeldt een van de meest aangrijpende scènes uit het lijdensverhaal. Het is de geschiedenis van Christus, die zich in doodsangst in gezelschap van zijn drie lievelingsapostelen Johannes, Petrus en Jacobus, kort voor het verraad van Judas terugtrok in de Hof van Olijven. Hier smeekte hij zijn Vader om als het mogelijk was “deze kelk”aan hem voorbij te laten gaan. Maar tegelijk zei hij de berustende woorden: “Maar niet mijn, maar Uw wil geschiedde”. Christus twijfelt en zijn drie metgezellen sukkelen tot driemaal toe in slaap.
Het groepje heeft mogelijk deel uitgemaakt van een klein altaarretabel.
JEZUS VOOR PILATUS (Eerste kruiswegstatie van Gebrs. Windhausen, 1923)
ECCE HOMO (olieverf op paneel, begin 16e eeuw)
Dit schilderij is een kopie van een “Ecce Homo”van Jeroen Bosch en is afkomstig uit de abdij “Mariënwater” bij Koudewater. Het werd waarschijnlijk vervaardigd in een van de vele ateliers die na de dood van Jeroen Bosch in Den Bosch ontstonden.
JEZUS VEROORDEELD EN WEGGELEID (eerste kruiswegstatie van Albert
Servaes, 1919, houtskool op papier, Abdij
“Koningshoeven” Berkel-Enschot)
Albert Servaes (1883-1966) wordt als toegewijd Christen gerekend tot de religieuze kunstenaars en is de voornaamste vertegenwoordiger van het expressionisme in de Belgische schilderkunst.
In 1919 voltooide Albert Servaes de met houtskool op papier getekende kruisweg, die hij maakte voor de kapel van de ongeschoeide Karmelieten in Luithagen. Een jaar later werden op bevel van Rome de veertien getekende staties verwijderd. Men vond de kruisweg als devotie-object aanstootgevend voor “eenvoudige zielen”.
De karmeliet Titus Brandsma bracht de Tilburger Herman van den Eerenbeemt in contact met de schilder. Hij kocht de kruisweg in 1923. Na in 1951 nog een keer van eigenaar te zijn verwisseld werd de kruisweg in 1952 tijdens een plechtige bijeenkomst overhandigd aan het kapittel van de paters Trappisten van de abdij van O.L.Vrouw van Koningshoeven. Ook toen bleef – na ruim dertig jaar – een reactie vanuit Rome niet lang uit. De pauselijke nuntius deelde de toenmalige abt van “Koningshoeven” en de bisschop van Den Bosch Mgr. Mutsaerts mede dat het standpunt van Rome nog niet veranderd was. Mgr. Mutsaerts nam de mededeling voor kennisgeving aan en de abt liet zich door een pater Jezuïet wijzen op de mogelijkheid van een compromis. Door de kruisweg verspreid en niet in volgorde op te hangen in het klooster ontstonden veertien afzonderlijke kunstwerken en ging de devotionele functie van de kruisweg verloren.
Verondersteld wordt dat bij het afschaffen van de kerkelijke index na het Tweede Vaticaans Concilie de kruisweg stilzwijgend alsnog als devotieobject door Rome is erkend.
KRUISDRAGING (Antwerpen, ca. 1540, eikenhout)
De oudst bekende herkomst van deze beeldengroep van de kruisdraging is de abdij “Maria Refugie”in Uden. Christus, die gekleed is in een lang gewaad, kijkt de toeschouwer aan als wil Hij hem aanzetten zijn voorbeeld te volgen. Simon van Cyrene helpt Christus bij zijn martelgang. Zijn tocht naar Golgotha wordt nog eens extra bemoeilijkt door het spijkerblok, dat Christus met zich mee moet slepen. Het hangt aan een touw dat om zijn middel is gegord.
VERONICA DROOGT AANGEZICHT VAN JEZUS AF (Zesde kruiswegstatie van
Gebrs. Windhausen, 1923)
DOEK VAN VERONICA (Franz Ittenbach, ca. 1860, oleografie op doek)
De zoektocht naar het uiterlijk van Jezus Christus heeft zowel in het westen als in het oosten een eigen legendarisch portret opgeleverd. Sinds de twaalfde eeuw kent het westen de zweetdoek van Veronica (vera icon) Tijdens zijn tocht naar Golgotha zou Veronica met een doek het bebloede gezicht van Christus gedept hebben. Na haar daad bleek dat in deze doek het bebloede en met een doornenkroon getooide gelaat van Christus achter gebleven was. In de Orthodoxe kerk kent men het Mandylion, het doek met het geïdealiseerde gelaat van Christus. Op iconen wordt het uitgebeeld als “het niet door mensenhanden gemaakte beeld van de Heer” Ook deze afbeelding gaat terug op een legende.
CHRISTUS OP DE KOUDE STEEN (Noordelijk deel hertogdom Brabant, ca.
1520, eikenhout)
In de bijbel wordt deze voorstelling van Christus nergens beschreven. Toch was dit thema op het einde van de Middeleeuwen zeer populair. De oudste beelden van dit type van de lijdende Christus werden in de veertiende eeuw in Duitsland gevonden. Vooral in de vijftiende eeuw werd dit soort devotiebeelden ruim verspreid in de Nederlanden.
Het beeld is afkomstig uit de priorij Soeterbeeck van de zusters Augustinessen in Deursen bij Ravenstein. Deze zusters zijn voortgekomen uit de laat-middeleeuwse beweging van Geert Grote “de Moderne Devotie”. Binnen deze beweging speelde Thomas à Kempis een vooraanstaande rol. Vooral zijn boek “De navolging van Christus” was van grote invloed.
Deze meditatieve Christus, met zijn gebonden handen, de zware kroon drukkend op zijn hoofd en zittend op de Schedelplaats (Golgotha, de plaats van de kruisiging) in afwachting van zijn kruisiging, past geheel in deze traditie, waarin de overweging van het lijden van Christus een zo vooraanstaande plaats inneemt.
JEZUS AAN HET KRUIS GESTORVEN ( Duitsland, ca. 1370, rechtervleugel van
ivoren triptiek)
CHRISTUS AAN HET KRUIS (Albert Servaes, 1923, houtskool op papier,
Museum voor Religieuze Kunst)
Deze tekening op houtskool van Albert Servaes vertoont veel gelijkenis met de twaalfde statie van de kruisweg, die hij in vier jaren eerder tekende voor de kapel van de Karmelieten in Luithagen en die thans een definitieve bestemming heeft gevonden in de abdij “Koningshoeven” in Berkel-Enschot.
CALVARIE (Zuidelijke Nederlanden, ca.1560, olieverf op paneel)
CALVARIE (Hertogdom Brabant, Brussel, ca. 1510, geschilderd eikenhout)
Ooit, wellicht in de negentiende eeuw is dit groepje bijeengebracht. In stijl en materiaalgebruik horen het kruis met de Calvarieberg en de palmhouten beeldjes van Maria en Johannes niet bij elkaar. Het corpus op het kruis en de Calvarieberg zijn veel grover gesneden dan de beeldjes van Maria en Johannes.
Deze Calvariegroep werd door het museum in langdurige bruikleen ontvangen van de Sint Servatiuskerk in Erp
SCHRIFTGELEERDE ONDER HET KRUIS (Antwerpen, ca. 1520, geschilderd
eikenhout)
Deze rijk geklede schriftgeleerde met een brede grijns op zijn gezicht heeft deel uitgemaakt van een Antwerps passieretabel. Steunend op zijn stok kijkt hij naar boven en is hij getuige van de kruisdood van de man die hij mede veroordeeld heeft.
In het voetstukje is een handje gebrand, het kwaliteitskeur van de stad Antwerpen.
MARIA MAGDALENA met paternoster en gebedsnoot
(Antwerpen/Brussel, ca. 1515, eikenhout)
GEBEDSNOOT (Mechelen, Adam Dirksz., eerste kwart 16e eeuw, palmhout)
Gebedsnoten, vaak niet groter dan enkele centimeters in doorsnee, werden in de late middeleeuwen gebruikt als einde van een gebedssnoer. Een gebedsnoot kon rijk of eenvoudig zijn. Het was een opklapbare noot van palmhout, aan de buitenkant filigrain-achtig bewerkt met goud- of zilverdraad en in geopende toestand toonde de gebedsnoot meestal twee heiligenfiguren. Deze gebedsnoten, die in een atelier in de Zuidelijke Nederlanden werden vervaardigd waren een luxe-artikel en in het eerste kwart van de zestiende eeuw even populair als kostbaar. Een in het oog springend kenmerk van deze gebedsnoot is dat hij is voorzien van opschriften in gotisch schrift. Op de band tussen het filigrainwerk staat te lezen: “door dit teken van het H.Kruis bevrijd mij van het kwade, Heer God van alle goeds”. In geopende toestand toont de gebedsnoot, die werd vervaardigd door Adam Dirksz. in Mechelen. twee populaire middeleeuwse “noodhelpers”. Het zijn Christoffel en Sebastiaan. Christoffel met op de rechterschouder het Christuskind en links van hem de kluizenaar, die hem vroeg het kind over de rivier te dragen. Sebastiaan met pijl en boog.
KRUISIGING VAN CHRISTUS (Gijs Frieling, 2000, tempera op doek)
Kunstenaar Gijs Frieling (1966) maakt vanaf halverwege de jaren 90 schilderijen op doek en gipsplaats met tempera. Het zijn religieuze afbeeldingen, waaronder de “Kruisiging van Christus” en “Paasmorgen”. Hij zegt: “Religieuze afbeeldingen hebben we hard nodig omdat het natuurwetenschappelijk wereldbeeld niet in staat is om voldoende betekenis te geven aan ons leven”.
Bij het schilderij “Kruisiging van Christus” maakt het kleurgebruik de afbeelding van de kruisiging zo vreemd. De horizon verschiet van bloedrood naar zwart. De Christusfiguur is pikdonker, het kruis is groen, net als het bloed en zweet, dat van Christus’ hoofd, armen, borst en benen sijpelt. In het schijnsel van de maan, die de cipressen en hun schaduwen in een fel wit licht zet, hangt Christus aan het kruis, geheel verlaten, alleen nog vergezeld van de rood gesluierde Maria Magdalena. Duisternis is over de aarde gekomen.
Tempera zijn zuivere verven, die met het natuurproduct eigeel, dat wordt verdund met regenwater en wijnazijn, tot strijkklare verven worden verwerkt. Bij schilderen met tempera moet men vooraf goed plannen wat men gaat doen. De verf droogt onder invloed van het licht heel snel op. Kleurmengingen kan men alleen maar verkrijgen door met dunne lijnen van de gewenste kleur verf te arceren. Voor het verkrijgen van een overgang van licht naar donker moeten veel arceringen over elkaar heen worden aangebracht.

KRUISAFNAME (1. icoon Rusland, ca. 1700; 2. prentje van onbekend
graveur uit prentjesverzameling)
Op deze icoon wordt weergegeven dat Jozef van Arimatea en Nicodemus het lichaam van Christus in een doek vanaf het kruis naar beneden laten zakken. Daar wordt het opgevangen door Maria, de Moeder Gods, die vergezeld wordt door Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jacobus. Johannes ondersteunt de onderbenen van de gestorvene.
Onder het kruis is een schedel afgebeeld. Deze verwijst zowel naar de naam Golgotha (schedelplaats) als naar het graf van Adam, dat zich hier zou bevinden, pal onder het kruis van de nieuwe Adam, Christus.
KRUISAFNAME (België, ca. 1850, biscuit-porselein)
Het gestorven lichaam van Christus wordt met behulp van twee ladders door Nicodemus, Jozef van Arimathea en Johannes, de lievelingsleerling van Jezus, van het kruis genomen. Het beeldje, nog geen 20 cm. hoog, bestaat uit porselein dat na de tweede keer te zijn gebakken, geen verdere behandeling meer heeft ondergaan en daarom biscuit-porselein genoemd wordt. Het beeldje heeft een wit, fragiel en marmerachtig uiterlijk en is zeer fijn van detaillering. Het groepje staat onder een stolp.
PIËTA (Gelre/Brabant, ca. 1510,
Nadat Christus gestorven is krijgt men van Pilatus toestemming om het ontzielde lichaam van het kruis te nemen. Daarna geeft men het lichaam terug aan de schoot van zijn moeder. Dit thema staat nergens in de Bijbel beschreven. Toch heeft het zich over de westelijke wereld verspreid. Aanvankelijk als onderdeel van het totale lijdensverhaal, later onder invloed van kloosterlingen, tot een zelfstandig beeld voor persoonlijke devotie. God liet toe dat zijn Zoon tot heil van de mensheid schandelijk stierf aan het kruis. Tevens verloor Maria haar enige zoon. Er is geen groter verlies voor een moeder dan haar kind te verliezen. Kinderen zijn er om hun ouders te overleven en naar het graf te brengen. Niet andersom.
Het beeld is ontstaan rond 1500, waarschijnlijk in Gelre.
PIËTA (Walter Pompe, 1725, schets op papier,
Deze schets werd in 1989 door het museum aangekocht van de Antwerpse erven Pompe samen met een Piëta-beeld uit het jeugdwerk van Pompe. Van dit beeld wordt een soortgelijke versie in terra-cotta bewaard in het Museum Vleeshuis in Antwerpen. Beide werken geven blijk van de studieperiode van Walter Pompe, waarin hij zowel door de klassieke aandoende stijl van zijn leermeester Michiel van der Voort als door andere Antwerpse meesters werd beïnvloed.
PIËTA (Jacques Frenken, 1968, gips, verf, ijzer)
In de jaren zestig trok Jacques Frenken, die 1929 werd geboren in Den Bosch, zich het lot aan van door de rooms-katholieke kerk afgedankte kunststukken. Een van zijn meest bekende werken is de spijkerpiëta, een gipsen Pieta, waarin Frenken 365 spijkers heeft geslagen, waarmee hij beoogde een nieuw beeld van smarten te scheppen. Hij deed dit als uiting van een vorm van kritiek op de katholieke kerk, die naar zijn mening haar culturele erfgoed verkwanselde. Niet iedereen legde zijn werk zo uit. Frenken werd voor godslasteraar uitgemaakt en sommigen zagen hem zelfs als een antichrist.
Jacques Frenken kreeg vooral ook bekendheid door zijn muziek(naam)schilderijen, waarop hij de namen schilderde van componisten als Beethoven, Mozart, Strauss, Ravel, Bartok en veel anderen.
PIËTA (Marc Mulders, 2001, olieverf op paneel)
Marc Mulders (1958) is geboren in Tilburg waar hij nog steeds werkt en woont. Hij kiest openlijk voor de traditie van het katholicisme. Hij wil met verf zijn visie op het lijden, leven, dood, vergankelijkheid en vertwijfeling vastleggen. “Het is de dood, die het leven markeert en tekening geeft”. Zijn werk getuigt van geëmotioneerde expressie, waarbij op de verwerking van een pondje verf meer of minder niet wordt gelet. Hij is de onbetwiste leider van de Tilburgse School, waarin hij samenwerkt met beeldende kunstenaars zoals Paul van Dongen en Guido Geelen.
GESTORVEN CHRISTUS (Noordelijk deel hertogdom Brabant, begin
16e eeuw, gepolychromeerd eikenhout)
Dit gepolychromeerd eikenhouten beeld werd omstreeks 1510 in Brabant gesneden door een onbekende meester en is afkomstig uit de abdij “Maria Refsugie” en eerder waarschijnlijk uit de abdij Mariënwater bij Koudewater. Het lijden van Christus neemt een vooraanstaande plaats in bij de Birgitinessen. Nog steeds wordt elk jaar op Witte Donderdag dit imposante beeld vanuit het museum overgebracht naar de abdij om daar voor Goede Vrijdag te worden opgebaard in de centrale gang van de abdij naast de deur van de refter. De baar wordt bij die gelegenheid uitbundig versierd met bloemen.
NEDERDALING TER HELLE/VERRIJZENIS VAN CHRISTUS (icoon
Rusland, midden 19e eeuw)
Meer nog dan in het westen waar Pasen eveneens als het belangrijkste liturgische feest van het jaar wordt beschouwd, benadrukt het oosten de intense viering van het Paasfeest. Gaat in het westen vooral de aandacht uit naar het mysterie van de verrijzenis, het oosten legt het accent meer op de verlossing uit de dood van de rechtvaardigen, de Anastasis, de “Nederdaling ter helle”. Deze gebeurtenis, die in de eerste geloofsbelijdenis der apostelen wordt beleden, wordt in de katholieke kerk op Paaszaterdag herdacht.
Op deze Anastasis-icoon wordt de korst van de aarde door Christus met het triomfkruis in zijn linkerhand verbroken. Gehuld in een dubbele mandorla vertrapt hij met zijn blote voeten de poorten van de hel. Daar pakt hij de hand van Adam vast om hem te verlossen uit de dood. Links van hem verheft Eva zich smekend vanuit haar graf. Achter Adam is een aantal figuren uit het Oude Verbond herkenbaar. Onder hen de gekroonde koningen David en Salomon, de heilige Hohannes de Doper en de jonge profeet Daniël.
In het bovenste gedeelte van de icoon, tussen de omkaderde voorstellingen van de “Verheerlijking op de berg Thabor” en “De Godsopenbaring des Heren” (in het westen de Doop van Christus in de Jordaan) verraadt zich de invloed van het westen. In het midden verrijst Christus uit zijn graf. Rechts van Hem zit een engel, die volgens de evangelisten verscheen die aan de vrouwen die het lichaam van Christus wilden balsemen en tegen hen zei: “Vrees niet want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is niet hier, want Hij is verrezen, zoals Hij gezegd heeft” (Mattheus 28, 5-6).
PAASMORGEN (Gijs Frieling, 2000, tempera op doek)
Het schilderij, ook wel “Herrijzenis” genoemd, toont Maria Magdalena vóór het geopende graf van Christus. Rechts van haar een figuur, die doet denken aan de engel, die haar zegt: “Hij is niet hier, want Hij is verrezen, zoals Hij gezegd heeft”. Een engel, eigenlijk onzichtbaar, zonder uiterlijk en toch heeft Frieling er een vorm voor gevonden.
MARIA MAGDALENA MET TUINMAN (Zuidelijke Nederlanden, begin 18e eeuw)
Het Paasevangelie van Johannes verhaalt hoe Maria Magdalene op Paasmorgen in alle vroegte naar het graf van Jezus is gegaan, zag dat de steen was weggerold en dat het graf leeg was. Zij heeft er Petrus en Johannes bijgehaald maar toen die weer terug gingen naar de stad bleef zij alleen achter. Terwijl zij daar staat werpt zij een blik naar binnen en ziet twee engelen op de stenen bank zitten, waarop het dode lichaam van Jezus gelegen had. Als zij zich omdraait ziet ze Jezus staan, maar zij weet niet dat Hij het is. Misschien is het wel de tuinman denkt zij en vraagt hem of hij het lichaam had weggehaald. Dan spreekt Jezus haar aan met de naam: “Maria”. Zij herkent hem aan zijn stem en roept “Rabbi” (vader).Zij valt voor hem neer en pakt Hem bij de voeten, maar Jezus weert haar af. “Raak mij niet aan” zegt Hij. “Houdt mij niet vast, want ik ben nog niet tot de Vader opgestegen. Ga naar mijn broeders en zeg tot hen dat ik opstijg naar mijn Vader en uw Vader, en mijn God en Uw God”.
DE EMMAUSGANGERS (Lotharingen, ca. 1640, olieverf op doek)

ONGELOVIGE THOMAS (1. Pater Gerard Mathot, 1968, brons, 0921; 2.
prentje van onbekende graveur uit prentjesverzameling)
NEDERDALING VAN DE HEILIGE GEEST OVER DE APOSTELEN (icoon Griekenland,
ca. 1670)
“Toen de dag van het Pinksterfeest was aangebroken waren zij allen op één plaats bijeen. Plotseling kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag en vulde het hele huis waar zij vergaderd waren. Vurige tongen verschenen aan hen, spreidden zich rond en zetten zich op ieder van hen neer”. (Handelingen 2, 1-3)
De “Nederdaling van de H.Geest over de Apostelen”is door Christus tijdens zijn leven op aarde al beloofd aan zijn eerste volgelingen: “Dit zeg Ik u, nu Ik nog bij u ben, maar de Helper, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb”. (Johannes 14, 25-26)
Aan het hoofd van een hoefijzervormige bank zitten tegenover elkaar Petrus en Paulus, met naast laatstgenoemde de baardloze jonge Johannes. De twee rijen van elk zes apostelen worden afgesloten met Philippus en Thomas, met tussen hen in een gekroonde oude man. Met zijn beide handen houdt hij een doek voor zich uitgespreid, waarop twaalf opgerolde bladen liggen. Zij symboliseren de twaalf stammen van Israël, alsmede samen met de gekroonde figuur de joden uit alle volken der wereld.
Met de komst van de Heilige Geest wordt de heilsgeschiedenis van Christus op aarde afgesloten. De apostelen zijn nu toegerust om deze boodschap in alle talen en aan alle volkeren te gaan verkondigen. De kerk is geboren. Dit laatste verklaart ook de soms ongebruikelijke aanwezigheid van de Moeder Gods. Zij symboliseert hier de Kerk, de Ecclesia.

PINKSTEREN (twee prentjes van onbekende graveur uit prentjesverzameling)
H. DRIEËENHEID (Zuidelijke Nederlanden, olieverf op doek, ca.
1700)
Reeds in 1628 werden deze voorstellingen van de H.Drieëenheid zeer nadrukkelijk verboden en moesten alle voorstellingen in opdracht van paus Urbanus VIII verband worden. Toch bleef de voorstelling in de prentkunst voortdurend opduiken. Als schilderij is de weergave van het moeilijk te bevatten begrip “Drieëenheid” uiterst zeldzaam.
De staande figuur met de drie hoofden houdt een omgekeerde driehoek voor zich, waarin van links naar rechts en met de klok mee de volgende tekst staat: Pater/non est/Filius/non est/Spiritis/non est” (De Vader is niet de Zoon, de Zoon is niet de H.Geest en de H.Geest is niet de Vader). De drie personen worden daarnaast weer met elkaar verbonden door drie maal het woordje “est”, dat verwijst naar het centrale “Deus” (God). Onderaan staat de regel: “St.Trinitas unus Deus”.
HEMELVAART VAN CHRISTUS (icoon Rusland, midden 19e eeuw)
Gekleed in blauw en rood en omgeven door een gouden mandorla voeren twee engelen Christus ten hemel.Met hun bazuinen verkondigen zij zijn roem en triomf. In het midden, enigszins verheven boven haar gezelschap staat de Moeder Gods in gezelschap van twee in het wit geklede engelen, die met opgeheven armen de wederkomst van Christus op aarde voorspellen. Links en rechts van de Moeder Gods staan de apostelen.
MARIA, MOEDER VAN SMARTEN (Schilderij Noordelijk deel Hertogdom Brabant, ca. 1520)
Maria, Moeder van Smarten, is een westers thema dat op het einde van de zeventiende eeuw door de Oosterse Kerk wordt overgenomen. Hier worden de woorden van de oude Simeon verbeeld, die hij sprak tot de Moeder Gods, toen zij haar zoon opdroeg in de tempel: “en een zwaard zal ook Uw eigen ziel doorboren”. (Lucas 2,35)
Met de handen voor haar borst en het hoofd naar rechts gebogen wordt zij door zeven witte zwaarden doorboord. Zij verbeelden de zeven smarten van Maria: de vlucht naar Egypte, de profetie van Simeon in de tempel, de twaalfjarige Christus in de tempel, de kruisdraging van Christus, de kruisiging, de kruisafname en de graflegging.
STERFBED VAN MARIA (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout,
Rijksmuseum)
Omgeven door apostelen wordt Maria met een kaars in haar hand afgebeeld op haar sterfbed. Onder hen Jacobus, die het kussen opschudt, Petrus, die uit een boek een tekst voorleest en Johannes, die een gebaar van treurnis maakt. De Westerse kerk viert deze gebeurtenis als de feestdag van Maria ten Hemelopneming op 15 augustus.
In de bijbel wordt over de dood van Maria en haar opneming in de hemel met geen woord gerept. In de “apocriefe boeken” komen over het leven van Maria veel meer bijzonderheden voor.
Apocriefe boeken zijn geschriften die niet in de bijbel zijn opgenomen en door de kerk niet als gezaghebbend worden erkend.
Zo zou Maria op 8 september in Nazareth geboren zijn als dochter van Joachim en Anna. Jezus zou geboren zijn toen Maria 15 jaar oud was. Om op zo jonge leeftijd een kind te krijgen was in die tijd niet vreemd. Mede door het sterven van haar zoon is Maria niet oud geworden. Ze zou al op 63-jarige leeftijd in Bethlehem gestorven zijn en begraven in de tuin van Gethsémanié op de Olijfberg, even buiten Jerusalem. Nadat zij drie dagen in het graf rustte werd haar ziel weer met het lichaam verenigd, juist zoals bij Jezus, waarna zij begeleid door engelen, serafijnen en cherubijnen met lichaam en ziel ten hemel werd opgenomen. De apocriefe geschriften vermelden hierover: “Dan gaat het graf open, Maria staat er uit op en wordt door engelen naar de hemel gedragen. Rouwende apostelen en vrouwen uit Jerusalem waren hierbij aanwezig”.
Het Nieuwe Testament zwijgt over deze gebeurtenis en in de Orthodoxe Kerk wordt het feest van Maria ten Hemelopneming op 15 augustus herdacht als het feest van “Het ontslapen van de Heilige Moeder Gods”.
In het Heilig Jaar 1950 werd de ten hemelopneming van Maria door Paus Pius XII tot dogma verheven.
MARIA TENHEMELOPNEMING (Zuidelijke Nederlanden
- ca. 1750 - geschilderd lindehout)
ONTSLAPEN VAN DE MOEDER GODS (icoon Rusland, 19e eeuw)
Het bovenste gedeelte van deze drukbevolkte icoon van messing met vier kleuren email wordt geheel gevuld door de twaalf apostelen, die vanuit alle richtingen door engelen naar de plaats van het overlijden worden gebracht. Centraal staat de baar met het lichaam van de Moeder Gods. De baar wordt omringd door rouwende apostelen. Daarboven worden zowel de tenhemelopneming van de ziel als de tenhemelopneming van het lichaam afgebeeld. Het eerste aspect krijgt aandacht door de ziel van de Moeder Gods op Christus’ linkerarm. Het tweede aspect door de Moeder Gods, gezeten in een mandorla (heiligenkrans), die door engelen naar de hemel wordt gevoerd.
MARIA TENHEMELOPNEMING (L.C.Hezenmans, ca. 1880, olieverf op koper)
Lambert Hezenmans is vooral bekend als restauratie-architect in de tweede helft van de negentiende eeuw (1841-1909) van de Kathedrale Basiliek van Sint Jan in Den Bosch, de mooiste gotische kerk van Nederland. Hij heeft er toe bijgedragen dat de Sint Jan de rijkst met beelden uitgeruste kerk van de Brabantse gotiek is geworden.
Ook de schilderkunst is door hem beoefend. Hij schilderde bij voorkeur bijbelse en religieuze onderwerpen. Zo maakte hij omstreeks 1880 ook het schilderij “Maria Tenhemelopneming”.
door de eeuwen heen inspiratiebron voor religieuze kunst
Door Piet van Antwerpen
Vrijwilliger museum voor religieuze kunst

JOACHIM EN ANNA (1. Meester van Joachim en Anna, ca. 1480, eikenhout,
Rijksmuseum; 2. prentje uit prentjesverzameling)Anna was de vrouw van Joachim, een oudere priester, die behoorde tot het huis van David. Hun huwelijk bleef kinderloos omdat Joachim onvruchtbaar was. Vaak hadden zij tot God gebeden om kinderen te krijgen en uiteindelijk zou hun gebed verhoord worden. Toen Joachim op zekere dag op het veld was verscheen hem een engel, die hem voorspelde dat zijn vrouw een dochter zou baren en dat zij haar Maria zouden noemen. “En dit zal U een teken zijn”, zei de engel. “Als U de Gouden Poort in Jerusalem bereikt, zal Uw vrouw U daar tegemoet komen en zij zal zich verheugen U te zien”. De engel verscheen daarna ook aan Anna en openbaarde haar ook wat hij Joachim had gezegd. Zij ontmoetten elkaar bij de Gouden Poort. Anna werd zwanger en baarde een meisje, dat zij Maria noemden.
Het was een bijzondere geboorte, zo leert ons de katholieke kerk in het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Maria is zonder de erfzonde ontvangen. Deze kerkelijke leerstelling wordt door Paus Pius IX afgekondigd op 8 december 1854
In het Nieuwe Testament staan Joachim en Anna niet vermeld als de ouders van Maria. We moeten hiervoor het apocriefe protevangelie van Jacobus raadplegen. In dit evangelie wordt het leven van Maria vóór, tijdens en na de geboorte van Jezus zeer uitvoerig beschreven. De naam “proto-evangelie” (eerste evangelie) doet het voorkomen dat Jacobus Minor, de oudere stiefbroer van Jezus, het evangelie lang voor de andere evangelies geschreven heeft.
GEBOORTE VAN DE ALLERHEILIGSTE MOEDER GODS (icoon Rusland, ca. 1800)Centraal op deze icoon zit de heilige Anna op het met witte lakens gedekte kraambed. Links ontmoeten Joachim en Anna elkaar onder de Gouden Poort in Jerusalem. Onder dit tafereel zit de vroedvrouw met op haar schoot de in doeken gewikkelde boreling. Op de voorgrond maakt een assistente het bad gereed. Rechts van de centrale voorstelling zitten Joachim en Anna met tussen hen in de kleine Moeder Gods. In de bovenhoeken brengen twee engelen aan Joachim en Anna de boodschap dat zij, ondanks hun hoge leeftijd, toch nog vader en moeder zullen worden. De icoon wordt aan de bovenzijde afgesloten door God de Vader, die zijn handen zegenend uitstrekt.
De geboorte van Maria wordt zowel in de katholieke kerk als in de orthodoxe kerk gevierd op 8 september.

ANNA MET MARIA (1. Petrus Verhoeven, ca. 1780, lindehout. 2.
prentje van de Antwerpse graveur Cornelis van Merlen (1654-1723) uit
prentjesverzameling De beeldhouwer en schrijnwerker Petrus Verhoeven werd in 1729 in Uden geboren. Het is niet bekend of hij zijn geboortestreek ooit verlaten heeft om, zoals zijn wat oudere tijdgenoot Walter Pompe uit Lith elders een opleiding tot beeldhouwer te volgen. Wellicht heeft hij na de lagere school de Latijnse school van de Kruisheren in Uden bezocht. Zijn werk draagt een autodidactisch karakter en leunt sterk op voorbeelden uit de barok van de Zuidelijke Nederlanden. Walter Pompe is de maker van elegante barok. Petrus Verhoeven vormt hierop een meer regionale, wat boerse variant. Bekend van hem zijn ook de reliekhouders van Antonius Abt en Rochus, die hij maakte van gepolychromeerd lindehout en de monstrans van verguld hout, die hij in 1782 maakte voor de pastoor van Ewijk. Deze monstrans is een kopie van de zilveren stralenmonstrans, die de zilversmid Jacobus Smits uit Den Bosch in 1715 maakte voor de St. Petruskerk in Uden.

BOODSCHAP AAN DE MOEDER GODS (1. icoon, Rusland, ca. 1800; 2. prentje
“Annunciata”, Praag, ca. 1800 uit
prentjesverzameling)Maria kijkt verschrikt op wanneer een vreemde engel haar vertrek is binnen gekomen. Zij wordt gestoord bij het spinnen: een zijdedraad valt over haar kleed en het spinklosje dreigt uit haar geopende en afwerende rechterhand te vallen. De vreemde bode is de aartsengel Gabriël. Tussen de aartsengel en Maria daalt vanuit een wolk een duif naar beneden, het symbool van de Heilige Geest.
Op deze icoon wordt verbeeld wat Lucas verhaalt in zijn evangelie (hoofdstuk 1, vers 26-38): “In de zesde maand werd de engel Gabriël door God naar een stad in Galilea gezonden, Nazareth genaamd. En wel naar een maagd, die verloofd was met een man, die Jozef heette en uit het huis van David stamde. De naam van deze maagd was Maria. De engel trad bij haar binnen en sprak: “Wees Gegroet Maria, vol van Genade, de Heer is met U: gij bent de gezegende onder de vrouwen”.
Het feest van “Maria Boodschap” ook wel “Annunciatie” genoemd, wordt gevierd op 25 maart.
VERLOVING VAN MARIA EN JOZEF (Hendrik van der Geld,)In het evangelie van Lucas wordt in hoofdstuk 1, vers 4-5, verhaald over Jozef, die met Maria, zijn verloofde vrouw, die in gezegende omstandigheden was, naar Betlehem ging om zich aan te geven voor een door keizer Augustus bevolen volkstelling. In de bijbel wordt verder nergens over de verloving (de sjidduch) van Jozef en Maria gesproken.
In principe bestond bij de Joden geen verschil tussen verloving en geboorten. Wanneer men elkaar eenmaal de trouwbelofte had gedaan kwam de status van een verloofde vrouw in vele opzichten overeen met die van een gehuwde vrouw. Het huwelijk werd formeel eerst als voltrokken beschouwd, wanneer de bruidegom zijn bruid plechtig de woning binnenleidde.
Hendrik van der Geld was de belangrijkste en meest creatieve beeldhouwer van de neogotiek in Brabant en mogelijk zelfs in Nederland. Hij werd in 1838 in Elshout geboren en overleed in 1914 in Den Bosch. Hij vervaardigde o.a. het Sacramentsaltaar in de Sint Janskathedraal in Den Bosch, restaureerde daar ook de kerkbanken en hij heeft beeldhouwwerk gemaakt voor kerken in Düsseldorf en Kleef en kerken in o.a. Cuyk, Gemert, Den Bosch, Oss, Boxtel en Zeeland. In de neogotiekzaal van het museum staat van hem, naast een aantal beelden en enkele kruiswegstaties, het in 1902 vervaardigde Hoogaltaar uit de kapel van “De Ruwenberg”, een voormalig katholiek onderwijsinstituut in Sint Michielsgestel.

MARIA IMMACULATA (1. Antwerpen, 1680-1690, lindehout; 2.
prentje van L.Fruijtiers, 1713-1782 uit prentjesverzameling.In 1979 waren ontstond onder Maria-vereerders in Den Bosch enige opwinding toen dit beeld van geschilderd lindehout vanuit het Bisschoppelijk Museum verhuisde naar het Museum voor Religieuze Kunst in Uden. Zij vreesden dat een belangrijk devotiebeeld van Maria de stad ging verlaten. Maar deze vrees was ten onrechte. Het beeld behoorde niet tot de Mariale devotiecultuur van de stad maar had sinds jaar en dag een museale functie. Ook de veronderstelling dat het beeld deel zou hebben uitgemaakt van het kunstpatrimonium van de schuilkerk van Sint Jacob ligt niet erg voor de hand. Waarschijnlijk is het beeld afkomstig van de Sint Michiels-abdij in Antwerpen en is het rond 1800 in het kader van een grootschalige import van barokke beelden uit de Zuidelijke Nederlanden in Den Bosch gekomen. Precies negen maanden voor het feest van Maria Geboorte (8 september) viert de katholieke kerk op 8 december het hoogfeest van de onbevlekte ontvangenis van Maria.
MARIA BEZOEKT ELISABETH (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout,
Rijksmuseum)Dit beeld is een fragment van het Maria-altaar dat Adriaen Van Wesel in de jaren 1475-1477 in opdracht van de Illustere O.L.Vrouwe Broederschap maakte voor de Sint Jan in Den Bosch. Maria en haar nicht Elisabeth, die beiden zwanger waren, ontmoeten elkaar voor de openstaande deur van het woonhuis van Elisabeth.

GEBOORTE VAN JEZUS (1. icoon Rusland, 2e helft 19e eeuw; 2. prentje van
de Antwerpse graveur Cornelius de Boudt (1660-1735) uit
prentjesverzameling)De belangrijkste bron voor het uitbeelden van de geboorte van Christus is het evangelie van Lucas. De geboorte van Christus wordt op deze icoon volgens de klassiek Byzantijnse wijze uitgebeeld.Maria ligt uitgestrekt op een rood rustbed en achter haar, in doeken gewikkeld, ligt Jezus in een stenen voederbak, met daarachter de os en de ezel. De Moeder Gods, in gedachten verzonken, heeft zich afgewend van het Kind en richt haar blik op Jozef. Deze afwezige houding benadrukt het goddelijk karakter van Jezus. Hij is niet afhankelijk van menselijke zorg. Rechts boven brengt een engel, geheel overeenkomstig het verhaal van de evangelist Lucas, de boodschap van de geboorte aan een herder.
In de linkerbenedenhoek wordt een in gedachten verzonken Jozef bezocht door een oude man. Sommigen zeggen dat het hier gaat om de geest van de twijfel, die Jozef plaagt, anderen zien in de oude man de duivel, die Jozef kwelt met vragen over de maagdelijkheid van Maria, en weer anderen zien in hem de profeet Jesaja, die Jozef herinnert aan zijn profetie over de maagdelijkheid van de Moeder Gods en de geboorte van Jezus “God met ons”. Het takje in zijn rechterhand verwijst dan naar het twijgje, dat aan de boom van Jesse zal ontspruiten.
Apocrief – niet bijbels erkend - zijn de scènes van Jozef en van de vroedvrouw, die de kleine Christus voorbereidt op het bad.
KNIELENDE MARIA (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout, Rijksmuseum)Maria, de jonge moeder, zit met gevouwen handen in aanbidding voor haar kind in de kribbe. Het beeld is een fragment van het Maria-altaar, dat door Adriaen van Wesel in de jaren 1475-1477 werd gemaakt voor de kathedrale basiliek van Sint Jan in Den Bosch in opdracht van de Illustere O.L.Vrouwe Broederschap. In dit altaar werden scènes uitgebeeld uit het leven van Maria. Dit beeld is een fragment van de scène “Aanbidding van het kind” en werd in 1901 door het Rijksmuseum met steun van de vereniging Rembrandt aangekocht uit de verzameling van de Baron van den Bogaerde in Heeswijk.
MUSICERENDE ENGELEN (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout,
Rijksmuseum)Deze groep van drie engelen met Jozef maakte ook, zoals de “Knielende Maria”, deel uit van het Maria-altaar, dat Adriaen van Wesel maakte voor de ”Sint Jan “ in opdracht van de Illustere O.L.Vrouwe Broederschap. Ook dit werk is een fragment van de scène “Aanbidding van het kind”.
Drie engelen zijn muziek aan het maken ter ere van de pasgeboren Jezus. Achter de engelen staat Jozef. Van zijn gezicht straalt oprechte verbazing uit vanwege het wonder van de geboorte van Jezus.
De beelden van Adriaen van Wesel hebben een aantal duidelijke kenmerken: de zeer gedetailleerde uitwerking van de gezichten, het pruikachtig hoofdhaar en het aanzetten van de oogleden, waarbij het onderste ooglid wat naar beneden getrokken is.
De muziekinstrumenten zijn uit van Wesels tijd. De linker engel heeft een vedel, een soort viool, op zijn schouder liggen, de middelste engel bespeelt een luit en de voorste engel een clavichord. Een vedel was in de Middeleeuwen een populair instrument met zes snaren dat werd bespeeld met een strijkstok. De luit, een getokkeld snaarinstrument, was zeer populair tijdens de late Middeleeuwen en de Renaissance. Een clavichord is een klein klavierinstrument met snaren, waarvan de klank zacht is en wel wat lijkt op die van een luit.
Ook dit fragment van het Maria-altaar werd in 1901 door het Rijksmuseum aangekocht uit de verzameling van Baron van den Bogaerde in Heeswijk.
HERDERS BIJ DE KRIBBE (Hendrik van der Geld, ca. 1890)Raadpleeg voor gegevens over Hendrik van der Geld en zijn werk de toelichting bij beeldengroep “Verloving van Maria en Jozef”.
AANBIDDING DER KONINGEN (Olieverfschildering op paneel van Pieter
Coecke van Aelst, ca. 1520)Pieter Coecke van Aelst (1502-1550) was een veelzijdig Vlaams kunstenaar. Hij studeerde in Italië van 1521 - 1525, waar hij werd beïnvloed door de Renaissance. Hij was schilder, beeldhouwer, architect, ontwerper van gebrandschilderde ramen en van prenten. Hij behoorde tot de romantische school in Antwerpen en was o.a. leermeester van Pieter Breughel de Oude en van Peter Paul Rubens. Er zijn maar weinig schilderijen van hem bekend. Veel van zijn religieuze schilderijen zijn tijdens de Beeldenstorm verloren gegaan.
Dit drieluik, oorspronkelijk afkomstig uit het middeleeuwse klooster van de Franciscanen in Den Bosch, kon dank zij de financiële hulp van de Stichting Vrienden van het Museum voor Religieuze Kunst worden aangekocht.


VLUCHT NAAR EGYPTE (prentjes o.a. van de Antwerpse graveur
Theodorus van Merlen (1609-1672) uit prentenverzameling)
TERUGKEER UIT EGYPTE (Dries Holthuis, ca. 1500, eikenhout)Dit eikenhouten beeld van rond 1500 wordt toegeschreven aan Dries Holthuis. Het is vooral vanwege zijn voorstelling een zeldzaam beeld. De druiventros in de rechterhand en het uiteinde van de bidsnoer in de linkerhand van Jozef ontbreken. De polychromie is verwijderd. De rechterhand van het kind, de wandelstok en het voetstuk zijn later vernieuwd. De oudst bekende herkomst van het beeld is de priorij (Nieuw) Soeterbeeck in Deursen.

BESNIJDENIS VAN JEZUS (1. schilderij van Constant
Nieuwenhuizen, 1962, 3588, 2. detail van kazuifel uit Zuid Nederland,
1480-1490)De besnijdenis bestond al in praehistorische tijden en is een chirurgische ingreep aan de geslachtsdelen. Bij de Joden werd de besnijdenis alleen bij mannen voltrokken door het wegnemen van de voorhuid. Elk mannelijk kind werd op de achtste dag na de geboorte besneden. De besnijdenis werd door Jahweh opgelegd aan Abraham en zijn nakomelingen als een godsdienstige plechtigheid. (Genesis hoofdstuk 17, vers 10-14). Daardoor werd de boreling ingelijfd in het Joodse volk en nam de verplichtingen van de wet op zich. Hij werd er door herinnerd zijn hart te besnijden, d.w.z. van boosheid te reinigen.
De besnijdenis vond vroeger in het algemeen plaats in de synagoge. Nu veelal thuis. Het kind legt men in de schoot van de “sandek”, meestal de grootvader. De besnijdenis wordt verricht door een arts. Na de plechtigheid van het besnijden volgen het uitbrengen van zegenwensen, het drinken van een beker wijn, het geven van een Hebreeuwse naam en een feestmaal.

OPDRACHT VAN JEZUS IN DE TEMPEL (1. icoon Rusland, eind 18e eeuw, 2303;
2. prentje van Jacobus de Man, 1650-1719, uit prentjesverzameling)Na de bevalling was Maria volgens de Joodse wet veertig dagen onrein. Toen die tijd voorbij was ging zij met haar man naar Jerusalem om te voldoen aan het wettelijk voorschrift dat elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht aan God moest worden opgedragen. De eerstgeborenen moesten eigenlijk de functies van de eredienst verrichten. Om die functies te verrichten had God in hun plaats de stam van Levi aangesteld. (de Levieten zijn de priesters in de tempel). Als verplichting bleef echter bestaan de opdracht in de tempel en het brengen van een offer. Volgens de wet hoefden arme mensen maar twee tortelduiven of twee jonge duiven te geven. Jozef offerde tweejonge duiven. Er staat niet in de Joodse wet dat de opdracht in de tempel moest gebeuren. Deze gewoonte is later ingevoerd. De opdracht werd tegelijk gedaan met de wettelijke reiniging van de moeder. In de Katholieke kerk kende men vroeger na de geboorte van een kind de kerkgang van de moeder. Dat ook Maria en Jozef zich hielden aan de wettelijke opdracht van hun eerstgeboren zoon aan God wordt in de bijbel alleen vermeld in het evangelie van Lucas. Bij gelegenheid van deze opdracht had ook de ontmoeting plaats met Simeon en de profetes Anna.
Simeon was een oude vrome man, die, zoals de H.Geest hem beloofd had, pas zou sterven als hij Christus ontmoet had. Hij nam het kind in zijn armen en begon God te prijzen. Verwonderd luisterden Jozef en Maria naar wat Simeon over hun kind zei. Simeon noemde hen bevoorrechte mensen.“Maar” zo waarschuwde hij Maria, ”er zal een zwaard door uw ziel gaan. Want velen in Israel zullen zich aan dit kind ergeren, tot hun eigen ongeluk. Maar vele anderen zal Hij de grootste vreugde geven”. Deze voorspelling is bekend als een van de zeven smarten van Maria.
Er was in de tempel ook een profetes, Anna, die 84 jaar oud was. Zeven jaar na haar huwelijk was haar man gestorven.En nu kwam ze nooit meer buiten de tempel. Dag en nacht bleef zij daar om God te dienen met vasten en bidden. Ook zij dankte God en sprak lovende woorden tot Jozef en Maria
MARIA MET KIND OMGEVEN DOOR MUSICERENDE ENGELEN (Jacob Cornelisz. van
Oostsanen, 1518, olieverf op paneel)Dit drieluik werd in 1518 geschilderd door Jacob Cornelisz. van Oostsanen in opdracht van Joris Sampson uit Den Bosch, die met zijn gezin op de drie luiken is afgebeeld. Hij was gasthuismeester en behoorde tot de vooraanstaande burgers van de stad.
Op het middenpaneel van het triptiek is Maria met het Christuskind voorgesteld. Maria staat achter een borstwering en houdt Jezus vast, die naar het instrument grijpt van een engeltje links op de voorgrond. Op een verhoging achter Maria zitten vijf engeltjes te musiceren. Op de achtergrond spelen zich verschillende gebeurtenissen af, waaronder de kindermoord in Bethlehem en de vlucht naar Egypte. Boven dit alles troont God de Vader, omringd door een grote groep musicerende engeltjes.
Op het linker paneel is Joris Sampson afgebeeld, neerknielend op een bidstoel. Achter Joris knielt zijn zoontje. Het rode kruisje dat hij in zijn handen houdt duidt er op dat hij ten tijde van het maken van de schildering reeds gestorven was. Achter hen staat Joris, de naamheilige van de opdrachtgever. Op het kleed, dat over de knielbank hangt, staan het jaar 1518, het wapenschild van Joris Sampson, zijn leeftijd (37 jaar) en als omranding een gebed.
Op het rechter paneel is Engelken Colen, de vrouw van Joris Sampson afgebeeld. Over de knielbank, waarop zij zit, is een kleed gelegd met opnieuw het jaartal 1518, haar leeftijd (35 jaar), een kort gebed en haar wapenschild.Achter haar is een Anna te Drieën geplaatst. Achter haar knielen haar zes dochters. De oudste is gehuld in het ordekleed van de Augustinessen. De drie meisjes, die in het wit gekleed zijn, verbeelden de drie jonggestorven dochters van het echtpaar.
Opvallend is dat Engelken Colen op het rechter paneel niet is vergezeld van haar naamheilige Angela, maar van moeder Anna met Maria en Jezus. De verklaring hiervan zou kunnen zijn dat Anna hier staat als patrones van een goede bevalling en van een gezond nageslacht. Het echtpaar zou in hun zestiende huwelijksjaar het drieluik hebben laten schilderen naar aanleiding van de dood van hun zoontje. Het overlijden van hun enige zoon moet voor het echtpaar een dramatische gebeurtenis geweest zijn en Joris en Engelken hadden dus alle reden om zich tot de heilige Anna te wenden in de hoop op een nieuw mannelijk nageslacht.
Over Jacob Corneliszoon van Oostsanen is niet veel met zekerheid te zeggen. Hij werd geboren in Oostzaan rond 1470 en zou rond 1533 in Amsterdam overleden zijn. Hij genoot zijn opleiding in Haarlem en werkte in Amsterdam. Om die laatste reden is hij door kunsthistorici lange tijd Jacob Corneliszoon van Amsterdam genoemd. Zijn werk bestaat uit schilderijen, houtsneden, gewelfschilderingen in Noord-Hollandse kerken, ontwerpen voor misgewaden en gebrandschilderde ramen. Hij werkte in de overgangstijd van de late Middeleeuwen naar de Renaissance. Veel van zijn religieuze werk is tijdens de Beeldenstorm verloren gegaan.
MOEDER GODS VAN DE HYMNE, ZIJ DIE HET MEEST WAARD IS GEPREZEN TE WORDEN
(icoon Rusland, eerste helft 19e eeuw)Het meest opvallende aan deze icoon zijn de drie engelenkopjes op de kleding van de Moeder Gods, op schouderhoogte en op haar voorhoofd , die de traditionele sterren vervangen en haar maagdelijkheid symboliseren. Kenmerkend zijn ook de zomen van de hoofddoek en de mantel, waarop de woorden van een Maria-hymne geschilderd zijn.
Op de randen van de icoon zijn naast de Engelbewaarder (links boven) nog vijf andere heiligen geschilderd.
MARIA, BESLOTEN HOF ( Zuidelijke Nederlanden, ca. 1660, olieverf op
koper)Het schilderij “Maria, Besloten Hof”, rond 1600 vervaardigd door een onbekende Zuid-Nederlandse schilder, kent enige verwantschap met het kleine schilderijtje “Madonna bij de fontein” van de Vlaamse schilder Jan van Eijck, dat door hem in 1439 werd vervaardigd en waarop Maria met het kind Jezus wordt afgebeeld in een krans van zeer minutieus geschilderde bloemen.
MARIA MET KIND (Zuidelijke Nederlanden, ca.1880, onder stolp, van glas,
biscuit, porselein, veren, zilver)Glazen stolpen hebben een oude geschiedenis maar werden vooral in de loop van de negentiende eeuw op grote schaal gebruikt ter bescherming van klokken en beeldjes. Zij worden meestel op een zwart geschilderde houten plaat gezet, waarin een gleuf is uitgespaard, die het schuiven van de stolp moet voorkomen. Rond de voet van de stolp wordt een rood chenillekoord (soort fluweel) geschoven om mogelijke oneffenheden te verbergen en om de kwetsbare onderkant van de stolp te beschermen.
Onder de stolp wordt een beeldje of een beeldengroep geplaatst en niet zelden worden hier bloemen, vaasjes met veren, engeltjes en andere sieraden toegevoegd. Gebeurt dit met een Mariabeeldje dan ontstaat een zogenaamd “Besloten Hofje”. Een eerbetoon aan Maria door middel van versierende elementen die teruggaan op het “Hooglied”. Het “Hooglied” is een van de boeken van het Oude Testament. De inhoud van het boek bestaat uit een tweespraak tussen twee geliefden: Salomo en de Sulamietische vrouw, een herderin van eenvoudige afkomst.
MADONNA MET DE PEER (Meester van Frankfurt, 1500-1510, olieverf op
paneel)Het paneel, dat in de 19e eeuw in een kelder in Roermond gevonden zou zijn, geeft Maria zittend in een landschap weer. Op haar schoot zit het naakte Christuskind, met om de hals een rozenkrans van bloedkoralen. Deze bloedkoralen worden geacht te verwijzen naar het lijden dat het Christuskind nog te wachten stond. De peer, die Maria in haar linkerhand houdt wordt geacht een verwijzing te zijn naar Christus als tweede Adam. De peer zou dan de tegenhanger zijn van de appel, de verboden vrucht, waarvan Adam en Eva in het paradijs gegeten hadden.
CHRISTUSKIND (Mechelen, begin 16e eeuw, gepolychromeerd
eikenhout)Dit “Mechels Pupke” dateert uit het begin van de 16e eeuw en is afkomstig uit de Abdij “Maria Refugie”. De polychromie is vernieuwd. Het beeldje is in de loop van de 19e eeuw gekuist. Van deze preutsheid werden niet alleen de genitaliën maar ook de billen het slachtoffer. Christus wordt hier uitgebeeld als een jongetje van ongeveer twee jaar. Hij staat hier op een sjiek sokkeltje, dat met een kussen is bedekt. Met zijn rechterhand maakt hij het klassieke zegeningsgebaar; met zijn linkerhand toont hij de Rijksappel, die refereert aan de heerschappij over hemel en aarde. Het kruis op de Rijksappel ontbreekt.
De stad Mechelen genoot rond 1500 bekendheid door de productie van kleine vrijstaande beeldjes, die vanwege hun popachtige uiterlijk ook wel “Poupees de Malines” of “Mechelse Pupkes”werden genoemd. Deze Christuskindjes zouden populair worden in Duitsland, Oostenrijk en in de Bourgondische Nederlanden, waartoe ook het Hertogdom Brabant gerekend kon worden. Het zijn inmiddels kostbare devotiebeeldjes. Het meest bekende onder deze Christusbeeldjes is het “Kindje Jezus van Praag”, een Vlaams-Spaans beeldje dat omstreeks 1628 vanuit Spanje werd overgebracht naar een Karmelietessenklooster in Praag.
Het beeldje is een prototype van Mechels atelierwerk van hoog niveau. Het ponsoen “M” voor de kwaliteit van de polychromie is aan de voorzijde van het sokkeltje tussen de twee groene takjes in het hout geslagen. Het keurmerk voor de kwaliteit van het hout en het snijwerk – veelal vier, soms drie verticale balkjes – is mogelijk onder het inkarnaat van de rugzijde verborgen.
HEILIGE FAMILIE (Frankrijk, ca. 1850, onder glazen stolp, van gips)In een goed katholiek omgeving mocht de H.Familie onder een glazen stolp niet ontbreken. De oudste van hen zijn nog in een neo-barokke stijl en sober wit van kleur. Vooral de oprichting van de “Aartsbroederschap van de H.Familie”in het midden van de negentiende eeuw gaf een nieuwe impuls aan de devotie tot de H.Familie. Hierdoor steeg de vraag naar dergelijke stolpgroepen spectaculair.
HEILIGE FAMILIE IN WERKPLAATS VAN JOZEF (Hendrik van der Geld, 7695) Raadpleeg voor gegevens over Hendrik van der Geld en zijn werk de toelichting bij de beeldengroep “Verloving van Maria en Jozef”.

DE TWAALFJARIGE JEZUS IN DE TEMPEL (1. icoon Rusland, begin19e
eeuw; 2. prentje van onbekend graveur uit prentjesverzamelingOok deze icoon beeldt één van de Zeven Smarten van Maria uit, in het westen bekend onder de naam “De twaalfjarige Jezus in de tempel”.De achtergrond suggereert het interieur van de tempel, waarin Christus zit met om hem heen de schriftgeleerden. In de rechterbovenhoek verschijnen Maria en Jozef die na een lange zoektocht eindelijk hun Zoon terugvinden in de tempel.

DOOP VAN JEZUS IN DE JORDAAN (1. icoon Rusland,
tweede helft 18e eeuw; prentje van Cornelis Galle,1576-165, uit
prentjesverzameling)Aanvankelijk achtte Johannes de Doper zich niet waardig om Jezus te dopen maar Jezus drong bij hem aan om hem toch te dopen “want zo horen wij te handelen om alle gerechtigheid te vervullen”. Johannes zou namens de mensheid de eerste getuige worden van Gods openbaring. Mattheus schrijft hierover: “Toen Jezus gedoopt was steeg hij meteen uit het water. En zie, de hemelen openden zich en Hij zag de Geest Gods als een duif nederdalen en over Zich komen. En een stem uit de hemel sprak: Deze is mijn welbeminde Zoon, in Wien ik mijn welbehagen heb”.
Op de icoon opent de hemel zich en verschijnt de Heer der Hemelse machten in een olijfgroene wol, van waaruit drie lichtstalen op Christus vallen. In de stralenbundel, die voor de Drieëenheid staat, zweeft in een cirkel een duif, het symbool van het Heilige Geest, die neerdaalt op het hoofd van Christus. Aan de rechterzijde van de icoon staan drie engelen klaar met doeken om hun Heer te dienen als hij uit het water komt.

ONTHOOFDING VAN JOHANNES DE VOORLOPER (1. icoon Rusland, midden 18e
eeuw; 2. prentje van onbekende graveur uit prentjesverzameling Het westen kent twee feestdagen, die aan Johannes de Doper zijn gewijd: het feest van zijn geboorte op 24 juni en dat van zijn onthoofding op 29 augustus. De Oosterse kerken eren hem echter met maar liefst zes feestdagen.
Links boven op de icoon knielt Johannes, gevangen achter een palissade, waarvan de poort open staat. Hij richt zich met geheven handen tot God de Vader, die zich in een krans van wolken, hoog verheft boven de dramatische handeling van de onthoofding van Johannes. De beul drukt het hoofd van Johannes met kracht naar beneden en heft met zijn rechterhand het zwaard.
In de rechter benedenhoek overhandigt de beul het hoofd van Johannes op een schotel aan Salomé. In het rechter bovenhoek is te zien hoe Salomé met een dans Herodes van de wijs brengt. Herodus, herkenbaar aan zijn witte muts zit met zijn gasten, waaronder zijn minnares Herodias, achter een rijk gedekte tafel. Diep onder de indruk van haar dans vraagt hij aan Salomé wat zij zou willen hebben. Mede op aandringen van haar moeder Herodias vroeg zij om het hoofd van Johannes op een schotel. Herodias haatte Johannes omdat hij haar in het openbaar verwijten had gemaakt over haar overspelig gedrag.
SINT JANSSCHOTEL (Noordelijk deel hertogdom Brabant,eerste helft 16e
eeuw, gepolychromeerd
eikenhout)Dit beeld, waarvan de polychromie grotendeels is vernieuwd werd in langdurige bruikleen aan het museum afgestaan door de parochie van Sint Jan Geboorte in Oerle bij Veldhoven.
Daar werd en wordt op 29 augustus het feest van Johannes Onthoofding gevierd. Bekend is dat in 1685 de schotel met het hoofd van Johannes in processie werd rondgedragen en dat dit “paeps”gebruik niet erg welgevallig was aan de Staten-Generaal.
Een ander ritueel was dat o.a. in Oerle, maar ook in Stramproy op de feestdag van Sint Jan z.g. “Sint Jan-trossen” werden gezegend en aan de huizen opgehangen. Zij zouden de huizen vrijwaren van kwade geesten, ziekten en rampen. Zij werden samengesteld uit verschillende kruiden, waaronder het Sint-Janskruid, een vetplantje met gaatjes in de bladeren. Gaatjes die er door de duivel ingeprikt zouden zijn, waardoor dit plantje ook wel “Jaag den duivel”wordt genoemd.
APOSTELEN (koperplaten van Henrick Goltzius 1589)Het museum beschikt over een uiterst zeldzame serie koperplaten, daterend uit 1589 van de graveur Hendrik Goltzius. Zij beelden halffiguren van de apostelen uit en maken deel uit van een serie van 14 platen; helaas ontbreken er drie. Zij werden in 1986 bij toeval ontdekt in een kloosterbibliotheek en aan het museum geschonken.
Een kopergravure wordt gemaakt op een glad gepolijste plaat koper. Met een burijn (een graveerbeitel met een scherp driehoekig uiteinde) wordt op de koperplaat een voorstelling gegraveerd. Met een schraapstaal worden de overbodige koperkrullen (braam) weggehaald en wordt de plaat, indien nodig, weer glad gemaakt. De gravurelijn is te herkennen aan het aanzwellen en weer afnemen van de lijn, een gevolg van de driehoekige vorm van de burijn. De kopergravure is een lijnprocédé: egale vlakken kunnen niet worden gedrukt. Om een vlak te suggereren gebruikt men arceringen. Bij het inkten wordt dikke drukinkt met een gewatteerd kussentje over de hele oppervlakte van de plaat verspreid, waarbij de groeven gevuld moeten worden. Daarna wordt de overtollige inkt van de plaat geveegd, zodat alleen inkt in de voegen achterblijft. De plaat wordt onder een kopdrukpers afgedrukt op papier. Van een kopergravure kunnen, afhankelijk van de diepte van de lijnen, 300 tot 800 afdrukken worden gemaakt. In de 19e eeuw werd vaak gebruik gemaakt van de staalgravure. Staal is veel harder dab koper en minder aan slijtage onderhevig, zodat een grotere oplage mogelijk werd.
INTOCHT IN JERUSALEM (icoon Rusland, midden 19e eeuw)Links op de icoon een gestileerd rotslandschap dat verwijst naar de Olijfberg, met daarop een boom, waarin een jongen geklommen is om palmtakken af te snijden. Andere, ook in het wit geklede jongens spreiden hun manteltjes uit over de grond. Voor de poorten van de stad staat een groep Joden, die door Jezus gezegend wordt, terwijl Hij op zijn lastdier – een ezelsveulen – in hun richting naar Jerusalem rijdt.
Gelijktijdig wendt hij zich van hen af en richt zich tot zijn volgelingen. Voorop lopen de apostelen Petrus en Filippus, die met elkaar in gesprek lijken te zijn.
Meestal wordt Jezus in amazonezit afgebeeld, hier zit hij als een volwaardig ruiter op het lastdier, dat eerder op een schimmel dan op het geprofeteerde ezelsveulen lijkt.
LAATSTE AVONDMAAL (Noordelijke Nederlanden,1515-1520, eikenhout)Tijdens het Laatste Avondmaal neemt Christus afscheid van zijn leerlingen. Het is een zeer dramatische bijeenkomst vol met menselijke zwakheden, maar tevens het moment waarop Christus de H.Eucharistie heeft ingesteld. Bij het breken van het brood en het drinken van de wijn sprak hij de woorden uit: “Telkens als gij dit doet, zult gij het doen ter gedachtenis aan mij”. In de canon van de H. Eucharistieviering luidt deze tekst thans: “Blijft dit doen om mij te gedenken”
Petrus met zijn kalende kop en zware baard bezweert dat hij Christus niet verraden zal. Judas is voor iedereen herkenbaar aan de geldbuidel op zijn rug. Johannes, de jongste van de leerlingen legt zijn hoofd tegen de borst van Jezus.
In de beeldengroep heeft een van de apostelen zijn hoofd en Petrus zijn rechterhand verloren.
LAATSTE AVONDMAAL (Leonardo da Vinci, ca. 1507, Museum Abdij van
Tongerlo)Dit meest bekende schilderij van Leonardo da Vinci werd in 1545 in Antwerpen aangekocht voor de Abdij van Tongerlo. Tot 1798 was het schilderij het pronkstuk van de voormalige abdijkerk. Tijdens de Franse Revolutie werd het verborgen in de schuur van een familie in Herselt. Sinds 1966 is het tentoongesteld in het Da Vinci-museum in Tongerlo.
Opvallend zijn het jeugdige en ietwat vrouwelijke uiterlijk van de lievelingsleerling Johannes, die rechts van Jezus zit; de geldbeurs van Judas Iskariot met daarnaast het omgestoten zoutvat; het gezicht van de apostel Judas Taddeus, dat vermoedelijk een zelfportret van Leonardo da Vinci is.
LAATSTE AVONDMAAL (icoon Rusland, begin 19e eeuw)Deze kleine gewelfde icoon is waarschijnlijk afkomstig van een reisiconostase en geeft het feest weer van Witte Donderdag, waarop het Laatste Avondmaal van Christus wordt herdacht, en de katholieke kerk de instelling van de Heilige Eucharistie viert. In het midden legt Johannes, de lievelingsleerling van Jezus, zijn hoofd aan de borst van Christus. Voor Christus staat de kelk, terwijl voor ieder van de apostelen een broodje op tafel ligt. Kelk en brood symboliseren het lichaam en bloed van Christus
HOF VAN OLIJVEN (Adriaen van Wesel, ca. 1470, eikenhout)Dit groepje van vier kleine beeldjes – het grootste komt nauwelijks boven de 20 cm. – verbeeldt een van de meest aangrijpende scènes uit het lijdensverhaal. Het is de geschiedenis van Christus, die zich in doodsangst in gezelschap van zijn drie lievelingsapostelen Johannes, Petrus en Jacobus, kort voor het verraad van Judas terugtrok in de Hof van Olijven. Hier smeekte hij zijn Vader om als het mogelijk was “deze kelk”aan hem voorbij te laten gaan. Maar tegelijk zei hij de berustende woorden: “Maar niet mijn, maar Uw wil geschiedde”. Christus twijfelt en zijn drie metgezellen sukkelen tot driemaal toe in slaap.
Het groepje heeft mogelijk deel uitgemaakt van een klein altaarretabel.
JEZUS VOOR PILATUS (Eerste kruiswegstatie van Gebrs. Windhausen, 1923)
ECCE HOMO (olieverf op paneel, begin 16e eeuw)Dit schilderij is een kopie van een “Ecce Homo”van Jeroen Bosch en is afkomstig uit de abdij “Mariënwater” bij Koudewater. Het werd waarschijnlijk vervaardigd in een van de vele ateliers die na de dood van Jeroen Bosch in Den Bosch ontstonden.
JEZUS VEROORDEELD EN WEGGELEID (eerste kruiswegstatie van Albert
Servaes, 1919, houtskool op papier, Abdij
“Koningshoeven” Berkel-Enschot)Albert Servaes (1883-1966) wordt als toegewijd Christen gerekend tot de religieuze kunstenaars en is de voornaamste vertegenwoordiger van het expressionisme in de Belgische schilderkunst.
In 1919 voltooide Albert Servaes de met houtskool op papier getekende kruisweg, die hij maakte voor de kapel van de ongeschoeide Karmelieten in Luithagen. Een jaar later werden op bevel van Rome de veertien getekende staties verwijderd. Men vond de kruisweg als devotie-object aanstootgevend voor “eenvoudige zielen”.
De karmeliet Titus Brandsma bracht de Tilburger Herman van den Eerenbeemt in contact met de schilder. Hij kocht de kruisweg in 1923. Na in 1951 nog een keer van eigenaar te zijn verwisseld werd de kruisweg in 1952 tijdens een plechtige bijeenkomst overhandigd aan het kapittel van de paters Trappisten van de abdij van O.L.Vrouw van Koningshoeven. Ook toen bleef – na ruim dertig jaar – een reactie vanuit Rome niet lang uit. De pauselijke nuntius deelde de toenmalige abt van “Koningshoeven” en de bisschop van Den Bosch Mgr. Mutsaerts mede dat het standpunt van Rome nog niet veranderd was. Mgr. Mutsaerts nam de mededeling voor kennisgeving aan en de abt liet zich door een pater Jezuïet wijzen op de mogelijkheid van een compromis. Door de kruisweg verspreid en niet in volgorde op te hangen in het klooster ontstonden veertien afzonderlijke kunstwerken en ging de devotionele functie van de kruisweg verloren.
Verondersteld wordt dat bij het afschaffen van de kerkelijke index na het Tweede Vaticaans Concilie de kruisweg stilzwijgend alsnog als devotieobject door Rome is erkend.
KRUISDRAGING (Antwerpen, ca. 1540, eikenhout)De oudst bekende herkomst van deze beeldengroep van de kruisdraging is de abdij “Maria Refugie”in Uden. Christus, die gekleed is in een lang gewaad, kijkt de toeschouwer aan als wil Hij hem aanzetten zijn voorbeeld te volgen. Simon van Cyrene helpt Christus bij zijn martelgang. Zijn tocht naar Golgotha wordt nog eens extra bemoeilijkt door het spijkerblok, dat Christus met zich mee moet slepen. Het hangt aan een touw dat om zijn middel is gegord.
VERONICA DROOGT AANGEZICHT VAN JEZUS AF (Zesde kruiswegstatie van
Gebrs. Windhausen, 1923)
DOEK VAN VERONICA (Franz Ittenbach, ca. 1860, oleografie op doek)De zoektocht naar het uiterlijk van Jezus Christus heeft zowel in het westen als in het oosten een eigen legendarisch portret opgeleverd. Sinds de twaalfde eeuw kent het westen de zweetdoek van Veronica (vera icon) Tijdens zijn tocht naar Golgotha zou Veronica met een doek het bebloede gezicht van Christus gedept hebben. Na haar daad bleek dat in deze doek het bebloede en met een doornenkroon getooide gelaat van Christus achter gebleven was. In de Orthodoxe kerk kent men het Mandylion, het doek met het geïdealiseerde gelaat van Christus. Op iconen wordt het uitgebeeld als “het niet door mensenhanden gemaakte beeld van de Heer” Ook deze afbeelding gaat terug op een legende.
CHRISTUS OP DE KOUDE STEEN (Noordelijk deel hertogdom Brabant, ca.
1520, eikenhout)In de bijbel wordt deze voorstelling van Christus nergens beschreven. Toch was dit thema op het einde van de Middeleeuwen zeer populair. De oudste beelden van dit type van de lijdende Christus werden in de veertiende eeuw in Duitsland gevonden. Vooral in de vijftiende eeuw werd dit soort devotiebeelden ruim verspreid in de Nederlanden.
Het beeld is afkomstig uit de priorij Soeterbeeck van de zusters Augustinessen in Deursen bij Ravenstein. Deze zusters zijn voortgekomen uit de laat-middeleeuwse beweging van Geert Grote “de Moderne Devotie”. Binnen deze beweging speelde Thomas à Kempis een vooraanstaande rol. Vooral zijn boek “De navolging van Christus” was van grote invloed.
Deze meditatieve Christus, met zijn gebonden handen, de zware kroon drukkend op zijn hoofd en zittend op de Schedelplaats (Golgotha, de plaats van de kruisiging) in afwachting van zijn kruisiging, past geheel in deze traditie, waarin de overweging van het lijden van Christus een zo vooraanstaande plaats inneemt.
JEZUS AAN HET KRUIS GESTORVEN ( Duitsland, ca. 1370, rechtervleugel van
ivoren triptiek)
CHRISTUS AAN HET KRUIS (Albert Servaes, 1923, houtskool op papier,
Museum voor Religieuze Kunst)Deze tekening op houtskool van Albert Servaes vertoont veel gelijkenis met de twaalfde statie van de kruisweg, die hij in vier jaren eerder tekende voor de kapel van de Karmelieten in Luithagen en die thans een definitieve bestemming heeft gevonden in de abdij “Koningshoeven” in Berkel-Enschot.
CALVARIE (Zuidelijke Nederlanden, ca.1560, olieverf op paneel)
CALVARIE (Hertogdom Brabant, Brussel, ca. 1510, geschilderd eikenhout)Ooit, wellicht in de negentiende eeuw is dit groepje bijeengebracht. In stijl en materiaalgebruik horen het kruis met de Calvarieberg en de palmhouten beeldjes van Maria en Johannes niet bij elkaar. Het corpus op het kruis en de Calvarieberg zijn veel grover gesneden dan de beeldjes van Maria en Johannes.
Deze Calvariegroep werd door het museum in langdurige bruikleen ontvangen van de Sint Servatiuskerk in Erp
SCHRIFTGELEERDE ONDER HET KRUIS (Antwerpen, ca. 1520, geschilderd
eikenhout)Deze rijk geklede schriftgeleerde met een brede grijns op zijn gezicht heeft deel uitgemaakt van een Antwerps passieretabel. Steunend op zijn stok kijkt hij naar boven en is hij getuige van de kruisdood van de man die hij mede veroordeeld heeft.
In het voetstukje is een handje gebrand, het kwaliteitskeur van de stad Antwerpen.
MARIA MAGDALENA met paternoster en gebedsnoot
(Antwerpen/Brussel, ca. 1515, eikenhout)
GEBEDSNOOT (Mechelen, Adam Dirksz., eerste kwart 16e eeuw, palmhout)Gebedsnoten, vaak niet groter dan enkele centimeters in doorsnee, werden in de late middeleeuwen gebruikt als einde van een gebedssnoer. Een gebedsnoot kon rijk of eenvoudig zijn. Het was een opklapbare noot van palmhout, aan de buitenkant filigrain-achtig bewerkt met goud- of zilverdraad en in geopende toestand toonde de gebedsnoot meestal twee heiligenfiguren. Deze gebedsnoten, die in een atelier in de Zuidelijke Nederlanden werden vervaardigd waren een luxe-artikel en in het eerste kwart van de zestiende eeuw even populair als kostbaar. Een in het oog springend kenmerk van deze gebedsnoot is dat hij is voorzien van opschriften in gotisch schrift. Op de band tussen het filigrainwerk staat te lezen: “door dit teken van het H.Kruis bevrijd mij van het kwade, Heer God van alle goeds”. In geopende toestand toont de gebedsnoot, die werd vervaardigd door Adam Dirksz. in Mechelen. twee populaire middeleeuwse “noodhelpers”. Het zijn Christoffel en Sebastiaan. Christoffel met op de rechterschouder het Christuskind en links van hem de kluizenaar, die hem vroeg het kind over de rivier te dragen. Sebastiaan met pijl en boog.
KRUISIGING VAN CHRISTUS (Gijs Frieling, 2000, tempera op doek)Kunstenaar Gijs Frieling (1966) maakt vanaf halverwege de jaren 90 schilderijen op doek en gipsplaats met tempera. Het zijn religieuze afbeeldingen, waaronder de “Kruisiging van Christus” en “Paasmorgen”. Hij zegt: “Religieuze afbeeldingen hebben we hard nodig omdat het natuurwetenschappelijk wereldbeeld niet in staat is om voldoende betekenis te geven aan ons leven”.
Bij het schilderij “Kruisiging van Christus” maakt het kleurgebruik de afbeelding van de kruisiging zo vreemd. De horizon verschiet van bloedrood naar zwart. De Christusfiguur is pikdonker, het kruis is groen, net als het bloed en zweet, dat van Christus’ hoofd, armen, borst en benen sijpelt. In het schijnsel van de maan, die de cipressen en hun schaduwen in een fel wit licht zet, hangt Christus aan het kruis, geheel verlaten, alleen nog vergezeld van de rood gesluierde Maria Magdalena. Duisternis is over de aarde gekomen.
Tempera zijn zuivere verven, die met het natuurproduct eigeel, dat wordt verdund met regenwater en wijnazijn, tot strijkklare verven worden verwerkt. Bij schilderen met tempera moet men vooraf goed plannen wat men gaat doen. De verf droogt onder invloed van het licht heel snel op. Kleurmengingen kan men alleen maar verkrijgen door met dunne lijnen van de gewenste kleur verf te arceren. Voor het verkrijgen van een overgang van licht naar donker moeten veel arceringen over elkaar heen worden aangebracht.

KRUISAFNAME (1. icoon Rusland, ca. 1700; 2. prentje van onbekend
graveur uit prentjesverzameling)Op deze icoon wordt weergegeven dat Jozef van Arimatea en Nicodemus het lichaam van Christus in een doek vanaf het kruis naar beneden laten zakken. Daar wordt het opgevangen door Maria, de Moeder Gods, die vergezeld wordt door Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jacobus. Johannes ondersteunt de onderbenen van de gestorvene.
Onder het kruis is een schedel afgebeeld. Deze verwijst zowel naar de naam Golgotha (schedelplaats) als naar het graf van Adam, dat zich hier zou bevinden, pal onder het kruis van de nieuwe Adam, Christus.
KRUISAFNAME (België, ca. 1850, biscuit-porselein)Het gestorven lichaam van Christus wordt met behulp van twee ladders door Nicodemus, Jozef van Arimathea en Johannes, de lievelingsleerling van Jezus, van het kruis genomen. Het beeldje, nog geen 20 cm. hoog, bestaat uit porselein dat na de tweede keer te zijn gebakken, geen verdere behandeling meer heeft ondergaan en daarom biscuit-porselein genoemd wordt. Het beeldje heeft een wit, fragiel en marmerachtig uiterlijk en is zeer fijn van detaillering. Het groepje staat onder een stolp.
PIËTA (Gelre/Brabant, ca. 1510, Nadat Christus gestorven is krijgt men van Pilatus toestemming om het ontzielde lichaam van het kruis te nemen. Daarna geeft men het lichaam terug aan de schoot van zijn moeder. Dit thema staat nergens in de Bijbel beschreven. Toch heeft het zich over de westelijke wereld verspreid. Aanvankelijk als onderdeel van het totale lijdensverhaal, later onder invloed van kloosterlingen, tot een zelfstandig beeld voor persoonlijke devotie. God liet toe dat zijn Zoon tot heil van de mensheid schandelijk stierf aan het kruis. Tevens verloor Maria haar enige zoon. Er is geen groter verlies voor een moeder dan haar kind te verliezen. Kinderen zijn er om hun ouders te overleven en naar het graf te brengen. Niet andersom.
Het beeld is ontstaan rond 1500, waarschijnlijk in Gelre.
PIËTA (Walter Pompe, 1725, schets op papier, Deze schets werd in 1989 door het museum aangekocht van de Antwerpse erven Pompe samen met een Piëta-beeld uit het jeugdwerk van Pompe. Van dit beeld wordt een soortgelijke versie in terra-cotta bewaard in het Museum Vleeshuis in Antwerpen. Beide werken geven blijk van de studieperiode van Walter Pompe, waarin hij zowel door de klassieke aandoende stijl van zijn leermeester Michiel van der Voort als door andere Antwerpse meesters werd beïnvloed.
PIËTA (Jacques Frenken, 1968, gips, verf, ijzer)In de jaren zestig trok Jacques Frenken, die 1929 werd geboren in Den Bosch, zich het lot aan van door de rooms-katholieke kerk afgedankte kunststukken. Een van zijn meest bekende werken is de spijkerpiëta, een gipsen Pieta, waarin Frenken 365 spijkers heeft geslagen, waarmee hij beoogde een nieuw beeld van smarten te scheppen. Hij deed dit als uiting van een vorm van kritiek op de katholieke kerk, die naar zijn mening haar culturele erfgoed verkwanselde. Niet iedereen legde zijn werk zo uit. Frenken werd voor godslasteraar uitgemaakt en sommigen zagen hem zelfs als een antichrist.
Jacques Frenken kreeg vooral ook bekendheid door zijn muziek(naam)schilderijen, waarop hij de namen schilderde van componisten als Beethoven, Mozart, Strauss, Ravel, Bartok en veel anderen.
PIËTA (Marc Mulders, 2001, olieverf op paneel)Marc Mulders (1958) is geboren in Tilburg waar hij nog steeds werkt en woont. Hij kiest openlijk voor de traditie van het katholicisme. Hij wil met verf zijn visie op het lijden, leven, dood, vergankelijkheid en vertwijfeling vastleggen. “Het is de dood, die het leven markeert en tekening geeft”. Zijn werk getuigt van geëmotioneerde expressie, waarbij op de verwerking van een pondje verf meer of minder niet wordt gelet. Hij is de onbetwiste leider van de Tilburgse School, waarin hij samenwerkt met beeldende kunstenaars zoals Paul van Dongen en Guido Geelen.
GESTORVEN CHRISTUS (Noordelijk deel hertogdom Brabant, begin
16e eeuw, gepolychromeerd eikenhout)Dit gepolychromeerd eikenhouten beeld werd omstreeks 1510 in Brabant gesneden door een onbekende meester en is afkomstig uit de abdij “Maria Refsugie” en eerder waarschijnlijk uit de abdij Mariënwater bij Koudewater. Het lijden van Christus neemt een vooraanstaande plaats in bij de Birgitinessen. Nog steeds wordt elk jaar op Witte Donderdag dit imposante beeld vanuit het museum overgebracht naar de abdij om daar voor Goede Vrijdag te worden opgebaard in de centrale gang van de abdij naast de deur van de refter. De baar wordt bij die gelegenheid uitbundig versierd met bloemen.
NEDERDALING TER HELLE/VERRIJZENIS VAN CHRISTUS (icoon
Rusland, midden 19e eeuw)Meer nog dan in het westen waar Pasen eveneens als het belangrijkste liturgische feest van het jaar wordt beschouwd, benadrukt het oosten de intense viering van het Paasfeest. Gaat in het westen vooral de aandacht uit naar het mysterie van de verrijzenis, het oosten legt het accent meer op de verlossing uit de dood van de rechtvaardigen, de Anastasis, de “Nederdaling ter helle”. Deze gebeurtenis, die in de eerste geloofsbelijdenis der apostelen wordt beleden, wordt in de katholieke kerk op Paaszaterdag herdacht.
Op deze Anastasis-icoon wordt de korst van de aarde door Christus met het triomfkruis in zijn linkerhand verbroken. Gehuld in een dubbele mandorla vertrapt hij met zijn blote voeten de poorten van de hel. Daar pakt hij de hand van Adam vast om hem te verlossen uit de dood. Links van hem verheft Eva zich smekend vanuit haar graf. Achter Adam is een aantal figuren uit het Oude Verbond herkenbaar. Onder hen de gekroonde koningen David en Salomon, de heilige Hohannes de Doper en de jonge profeet Daniël.
In het bovenste gedeelte van de icoon, tussen de omkaderde voorstellingen van de “Verheerlijking op de berg Thabor” en “De Godsopenbaring des Heren” (in het westen de Doop van Christus in de Jordaan) verraadt zich de invloed van het westen. In het midden verrijst Christus uit zijn graf. Rechts van Hem zit een engel, die volgens de evangelisten verscheen die aan de vrouwen die het lichaam van Christus wilden balsemen en tegen hen zei: “Vrees niet want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is niet hier, want Hij is verrezen, zoals Hij gezegd heeft” (Mattheus 28, 5-6).
PAASMORGEN (Gijs Frieling, 2000, tempera op doek)Het schilderij, ook wel “Herrijzenis” genoemd, toont Maria Magdalena vóór het geopende graf van Christus. Rechts van haar een figuur, die doet denken aan de engel, die haar zegt: “Hij is niet hier, want Hij is verrezen, zoals Hij gezegd heeft”. Een engel, eigenlijk onzichtbaar, zonder uiterlijk en toch heeft Frieling er een vorm voor gevonden.
MARIA MAGDALENA MET TUINMAN (Zuidelijke Nederlanden, begin 18e eeuw)Het Paasevangelie van Johannes verhaalt hoe Maria Magdalene op Paasmorgen in alle vroegte naar het graf van Jezus is gegaan, zag dat de steen was weggerold en dat het graf leeg was. Zij heeft er Petrus en Johannes bijgehaald maar toen die weer terug gingen naar de stad bleef zij alleen achter. Terwijl zij daar staat werpt zij een blik naar binnen en ziet twee engelen op de stenen bank zitten, waarop het dode lichaam van Jezus gelegen had. Als zij zich omdraait ziet ze Jezus staan, maar zij weet niet dat Hij het is. Misschien is het wel de tuinman denkt zij en vraagt hem of hij het lichaam had weggehaald. Dan spreekt Jezus haar aan met de naam: “Maria”. Zij herkent hem aan zijn stem en roept “Rabbi” (vader).Zij valt voor hem neer en pakt Hem bij de voeten, maar Jezus weert haar af. “Raak mij niet aan” zegt Hij. “Houdt mij niet vast, want ik ben nog niet tot de Vader opgestegen. Ga naar mijn broeders en zeg tot hen dat ik opstijg naar mijn Vader en uw Vader, en mijn God en Uw God”.
DE EMMAUSGANGERS (Lotharingen, ca. 1640, olieverf op doek)
ONGELOVIGE THOMAS (1. Pater Gerard Mathot, 1968, brons, 0921; 2.
prentje van onbekende graveur uit prentjesverzameling)
NEDERDALING VAN DE HEILIGE GEEST OVER DE APOSTELEN (icoon Griekenland,
ca. 1670)“Toen de dag van het Pinksterfeest was aangebroken waren zij allen op één plaats bijeen. Plotseling kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag en vulde het hele huis waar zij vergaderd waren. Vurige tongen verschenen aan hen, spreidden zich rond en zetten zich op ieder van hen neer”. (Handelingen 2, 1-3)
De “Nederdaling van de H.Geest over de Apostelen”is door Christus tijdens zijn leven op aarde al beloofd aan zijn eerste volgelingen: “Dit zeg Ik u, nu Ik nog bij u ben, maar de Helper, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb”. (Johannes 14, 25-26)
Aan het hoofd van een hoefijzervormige bank zitten tegenover elkaar Petrus en Paulus, met naast laatstgenoemde de baardloze jonge Johannes. De twee rijen van elk zes apostelen worden afgesloten met Philippus en Thomas, met tussen hen in een gekroonde oude man. Met zijn beide handen houdt hij een doek voor zich uitgespreid, waarop twaalf opgerolde bladen liggen. Zij symboliseren de twaalf stammen van Israël, alsmede samen met de gekroonde figuur de joden uit alle volken der wereld.
Met de komst van de Heilige Geest wordt de heilsgeschiedenis van Christus op aarde afgesloten. De apostelen zijn nu toegerust om deze boodschap in alle talen en aan alle volkeren te gaan verkondigen. De kerk is geboren. Dit laatste verklaart ook de soms ongebruikelijke aanwezigheid van de Moeder Gods. Zij symboliseert hier de Kerk, de Ecclesia.

PINKSTEREN (twee prentjes van onbekende graveur uit prentjesverzameling)
H. DRIEËENHEID (Zuidelijke Nederlanden, olieverf op doek, ca.
1700)Reeds in 1628 werden deze voorstellingen van de H.Drieëenheid zeer nadrukkelijk verboden en moesten alle voorstellingen in opdracht van paus Urbanus VIII verband worden. Toch bleef de voorstelling in de prentkunst voortdurend opduiken. Als schilderij is de weergave van het moeilijk te bevatten begrip “Drieëenheid” uiterst zeldzaam.
De staande figuur met de drie hoofden houdt een omgekeerde driehoek voor zich, waarin van links naar rechts en met de klok mee de volgende tekst staat: Pater/non est/Filius/non est/Spiritis/non est” (De Vader is niet de Zoon, de Zoon is niet de H.Geest en de H.Geest is niet de Vader). De drie personen worden daarnaast weer met elkaar verbonden door drie maal het woordje “est”, dat verwijst naar het centrale “Deus” (God). Onderaan staat de regel: “St.Trinitas unus Deus”.
HEMELVAART VAN CHRISTUS (icoon Rusland, midden 19e eeuw)Gekleed in blauw en rood en omgeven door een gouden mandorla voeren twee engelen Christus ten hemel.Met hun bazuinen verkondigen zij zijn roem en triomf. In het midden, enigszins verheven boven haar gezelschap staat de Moeder Gods in gezelschap van twee in het wit geklede engelen, die met opgeheven armen de wederkomst van Christus op aarde voorspellen. Links en rechts van de Moeder Gods staan de apostelen.
MARIA, MOEDER VAN SMARTEN (Schilderij Noordelijk deel Hertogdom Brabant, ca. 1520)Maria, Moeder van Smarten, is een westers thema dat op het einde van de zeventiende eeuw door de Oosterse Kerk wordt overgenomen. Hier worden de woorden van de oude Simeon verbeeld, die hij sprak tot de Moeder Gods, toen zij haar zoon opdroeg in de tempel: “en een zwaard zal ook Uw eigen ziel doorboren”. (Lucas 2,35)
Met de handen voor haar borst en het hoofd naar rechts gebogen wordt zij door zeven witte zwaarden doorboord. Zij verbeelden de zeven smarten van Maria: de vlucht naar Egypte, de profetie van Simeon in de tempel, de twaalfjarige Christus in de tempel, de kruisdraging van Christus, de kruisiging, de kruisafname en de graflegging.
STERFBED VAN MARIA (Adriaen van Wesel, 1475-1477, eikenhout,
Rijksmuseum)Omgeven door apostelen wordt Maria met een kaars in haar hand afgebeeld op haar sterfbed. Onder hen Jacobus, die het kussen opschudt, Petrus, die uit een boek een tekst voorleest en Johannes, die een gebaar van treurnis maakt. De Westerse kerk viert deze gebeurtenis als de feestdag van Maria ten Hemelopneming op 15 augustus.
In de bijbel wordt over de dood van Maria en haar opneming in de hemel met geen woord gerept. In de “apocriefe boeken” komen over het leven van Maria veel meer bijzonderheden voor.
Apocriefe boeken zijn geschriften die niet in de bijbel zijn opgenomen en door de kerk niet als gezaghebbend worden erkend.
Zo zou Maria op 8 september in Nazareth geboren zijn als dochter van Joachim en Anna. Jezus zou geboren zijn toen Maria 15 jaar oud was. Om op zo jonge leeftijd een kind te krijgen was in die tijd niet vreemd. Mede door het sterven van haar zoon is Maria niet oud geworden. Ze zou al op 63-jarige leeftijd in Bethlehem gestorven zijn en begraven in de tuin van Gethsémanié op de Olijfberg, even buiten Jerusalem. Nadat zij drie dagen in het graf rustte werd haar ziel weer met het lichaam verenigd, juist zoals bij Jezus, waarna zij begeleid door engelen, serafijnen en cherubijnen met lichaam en ziel ten hemel werd opgenomen. De apocriefe geschriften vermelden hierover: “Dan gaat het graf open, Maria staat er uit op en wordt door engelen naar de hemel gedragen. Rouwende apostelen en vrouwen uit Jerusalem waren hierbij aanwezig”.
Het Nieuwe Testament zwijgt over deze gebeurtenis en in de Orthodoxe Kerk wordt het feest van Maria ten Hemelopneming op 15 augustus herdacht als het feest van “Het ontslapen van de Heilige Moeder Gods”.
In het Heilig Jaar 1950 werd de ten hemelopneming van Maria door Paus Pius XII tot dogma verheven.
MARIA TENHEMELOPNEMING (Zuidelijke Nederlanden
- ca. 1750 - geschilderd lindehout)
ONTSLAPEN VAN DE MOEDER GODS (icoon Rusland, 19e eeuw)Het bovenste gedeelte van deze drukbevolkte icoon van messing met vier kleuren email wordt geheel gevuld door de twaalf apostelen, die vanuit alle richtingen door engelen naar de plaats van het overlijden worden gebracht. Centraal staat de baar met het lichaam van de Moeder Gods. De baar wordt omringd door rouwende apostelen. Daarboven worden zowel de tenhemelopneming van de ziel als de tenhemelopneming van het lichaam afgebeeld. Het eerste aspect krijgt aandacht door de ziel van de Moeder Gods op Christus’ linkerarm. Het tweede aspect door de Moeder Gods, gezeten in een mandorla (heiligenkrans), die door engelen naar de hemel wordt gevoerd.
MARIA TENHEMELOPNEMING (L.C.Hezenmans, ca. 1880, olieverf op koper)Lambert Hezenmans is vooral bekend als restauratie-architect in de tweede helft van de negentiende eeuw (1841-1909) van de Kathedrale Basiliek van Sint Jan in Den Bosch, de mooiste gotische kerk van Nederland. Hij heeft er toe bijgedragen dat de Sint Jan de rijkst met beelden uitgeruste kerk van de Brabantse gotiek is geworden.
Ook de schilderkunst is door hem beoefend. Hij schilderde bij voorkeur bijbelse en religieuze onderwerpen. Zo maakte hij omstreeks 1880 ook het schilderij “Maria Tenhemelopneming”.