Moderne
kunst: een omstreden collectie
|

|
Man
in kerk,
Paul Kleman |
In
1985 schildert Paul Klemann een man, op
de rug
gezien, in het portaal van een kerk. De man is naakt en heeft het
daar duidelijk moeilijk mee. Hij probeert te bedekken wat er te
bedekken valt, hij schaamt zich voor zijn naaktheid en twijfelt of
hij wel de drempel van de kerk zal overschrijden. Twijfel aan het
geloof en misschien ook wel aan het onderwerp. Mag dit geschilderd
worden? In het midden van de jaren tachtig was het schilderen van
religieuze onderwerpen in Nederland zeer ongewoon en niet van gevaar
ontbloot. In de kringen van de kunst was religie verdacht en zo
ongeveer de grootste zonde die een kunstenaar kon begaan was het
werken in dienst van de kerk. Dat stond min of meer gelijk aan het
tekenen van een eigen artistiek doodvonnis. Nu
viel
het met dat het werken voor de
kerk ‘gelukkig’ wel mee. De Kerk gaf nauwelijks
opdrachten. Begin
jaren zestig was er een abrupt einde gekomen aan het eeuwenlange
mecenaat van de rooms-katholieke Kerk. De bouw van nieuwe
kerken
stagneerde, aan de behoefte was ruimschoots voldaan en de
secularisatie deed zich steeds sterker gevoelen. De
kerken begonnen
leeg te lopen. Voor kunstenaars als Jan Dijker, Marius de Leeuw,
Gérard Princée, Niel Steenbergen, Albert
Troost en
Frans Verhaak, in de jaren vijftig nog goed voor talloze
monumentale wandschilderingen,
glas-in-lood vensters en sculpturen, bood
de
Kerk geen onderdak meer.Bovendien nam in de jaren zestig een
aanzienlijk deel van de geestelijkheid en het kerkvolk
radicaal afstand van 'Het
Rijke Roomse Leven' met al zijn uiterlijke
kenmerken. De liturgie werd sober, aan de zoete heiligen was geen
behoefte meer. Menig gipsen beeld belandde op de schroothoop.
Glazenier Jacques Frenken trok zich het lot van deze beelden aan,
verzamelde de resten en assembleerde ze tot pop-art achtige beelden.
In de vaste opstelling van het museum staat één
van
zijn werken: een gipsen piëta, waar Frenken 365 spijkers in
heeft geslagen. Een kritiek op de Kerk die haar erfgoed verkwanselde,
maar tevens een nieuw beeld van smarten. In die tijd werd dat echter
niet door iedereen onderkend. Frenken werd voor blasfemist
uitgemaakt, sommigen zagen in hem zelfs een anti-christ. In een
tijdbestek van niet meer dan tien jaar waren
kunst en kerk mijlenver
uit elkaar gegroeid.
 |
 |
| Target |
Spijkermadonna |
| Jacques
Frenken |
|
In
1987
acht het Museum voor Religieuze
Kunst te Uden de tijd rijp voor een inventarisatie. Wat is er
in
de tussen liggende jaren gebeurd? En bestaat het nog wel, religieuze
kunst? Uit de catalogus die bij deze tentoonstelling verscheen, Religieuze
Kunst na 1952 in Noord-Brabant,
blijkt dat de
wonden nog niet geheeld zijn. Het taalgebruik is opvallend omzichtig,
uitspraken worden geschuwd, het blijft bij voorzichtig gefluister. De
angst om een deelnemer als religieus kunstenaar te stigmatiseren is
bijna tastbaar. Maar voor het bestuur en directie van het museum is
het signaal toch duidelijk genoeg. Een groot aantal werken uit de
jaren vijftig wordt met steun van het toenmalige departement voor
cultuur, WVC, verworven, net als een sculptuur van Henk Visch uit
1986: twee wielen waartussen een corpus (lichaam) van Christus dreigt
te worden vermorzeld.
De
mysterieuze titel lijkt de
kijker een spiegel voor te houden: 'How beautiful this must appear to
him who understands it'. Onder dit gesternte wordt de
collectie
moderne religieuze kunst geboren en nog altijd is Uden het enige
instituut in Nederland dat moderne religieuze kunst verzamelt.
Sindsdien
is er echter wel veel
veranderd. De Religie is langzaam aan uit de
verdomhoek
gekropen. Jongere generaties kunstenaars, die gevrijwaard zijn
gebleven van de ballast van de jaren zestig, hebben zich aangediend.
Maar de oude banden tussen kunst en kerk zijn niet hersteld. De
rooms-katholieke kerk heeft haar mecenaat, uitzonderingen
daargelaten, (nog?) niet hernomen, de initiatieven liggen nu meer aan
protestantse kant. In het licht van de historie is dat een
gedenkwaardige ontwikkeling, want de meeste protestantse
kerkgemeenschappen in Nederland, en zeker de
calvinisten,
waren tot voor kort 'beeld-vijandig'.
De
belangstelling van protestantse
zijde uit zich vooral in de organisatie van tijdelijke
tentoon stellingen in hun kerkgebouwen en
verwante
instellingen. Het
geeft blijk van een toenemende interesse voor religieuze
kunst,
maar heeft niet of nauwelijks gevolgen voor het karakter en de inhoud
van deze kunst. Opdrachten blijven immers schaars. De religieuze
kunst die vandaag de dag het licht ziet, gaat praktisch geheel buiten
de kerken om. De kunst is zowel gemaakt als bedacht door individuen.
Het werk doet verslag van de persoonlijke beleving van de maker, is
gekleurd, vaak moeilijk verstaanbaar en alleen daarom al
omstreden. Net als de meeste hedendaagse kunst overigens.
Een van
de eerste jonge kunstenaars die
het taboe rond de religieuze kunst doorbrak was Marc Mulders. Zijn
doeken tonen de sporen van het gevecht met de taaie, nat-in-nat
opgebrachte verf, en zijn letterlijk loodzwaar. De onderwerpen
doen daar nauwelijks voor onder. Getordeerde bloemstillevens, gevilde
konijnen, piëta's, doornenkronen en
kruisigingen.
Het is de dood die het leven markeert en tekening geeft, maar het is
de natuur die steeds weer opbloeit. Mulders schildert afwisselend de
klacht en de bloem die uit de aarde opstijgen.
 |
 |
Grond
in Christus
Marc
Mulders |
Paasmorgen
Gijs
Frieling |
Mulders
verbeeldt het
aardse,
Gijs Frieling het bovenaardse, het
mysterie. Hij schildert niet alleen de
kruisdood, maar ook het lege graf en de
opstanding. Of een engel.
Onzichtbaar, zonder uiterlijk en toch wil Frieling er een vorm
voor vinden. Frieling heeft daar geen pasklare antwoorden voor. Bij
ieder onderwerp moet hij opnieuw op zoek en het resultaat beschouwt hij
als niet meer dan voorstellen. Toch zijn z'n doeken herkenbaar aan de
in eitempera opgebrachte verflagen die aan de werken een helderheid
en lichtheid meegeven, gelijk een verschijning.
Een
verschijning lijkt op komst in de
terracotta sculptuur 'Zonder titel' (Madonna-beeld op een haspel) van
Guido Geelen, al is Maria op een zeer bijzondere wijze aanwezig.
Drie, opeengestapelde en gedraaide Madonnabeelden vormen de
buitenkant van het beeld dat van binnen door een fel schijnende lamp
wordt verlicht. Het werk doet denken aan een Lourdes-grot, het licht
en de haspel verbeelden de energie, de kracht die van Maria naar de
gelovigen uitgaat. Het beeld kan ook anders geïnterpreteerd
worden en niet alleen gelezen worden als een boodschap van
Maria, maar ook aan de Moeder Gods en wellicht aan de vrouw in het
algemeen. Het licht schijnt immers niet alleen naar buiten, maar ook
naar binnen. Een verwijzing naar de Annunciatie, de
aankondiging van haar zwangerschap, van de vrucht,
het
leven dat zij zal dragen.
 |
| Madonna
op haspel, Guido
Geelen |
De
verschillen in benadering en stijl
van deze drie kunstenaars laten zien hoe moeilijk het is om de
collectie moderne kunst te categoriseren. Bij ieder werk past een
verhaal, of zelfs meerdere verhalen, want al onze pogingen om de
werken te verklaren ten spijt, blijven het niet meer dan
interpretaties. Formeel kunnen er wel enige verbanden worden gelegd.
Vanwege
de situering van het Museum en
de subsidie van de provincie Noord-Brabant lag aanvankelijk het
accent op werk van Br
abantse kunstenaars. Van de Tilburgers
Paul
van Dongen, Marc Mulders, Reinoud van Vught en Guido Geelen, de
Eindhovenaren Pieter Stoop en Henk Visch, de Bosschenaar
Jacques
Frenken, de Haarense Jes van der Bijl tot de meer met de rurale
omgeving verbonden Johan Claassen (Gemert) en Leon Adriaans
(Helmond/Den Bosch). Tot de niet-Brabanders binnen de
collectie
behoren ondermeer Natasja Kensmil, Rinke Nijburg, Gijs Frieling,
Janpeter Muilwijk, Hans Wilschut en Constant. De
collectie bevat een aantal grote
fotoseries. De serie van Guus Bekooy dateert uit 1961. Het is een
voor zijn tijd revolutionaire reportage over het
contemplatieve
leven van de zusters clarissen van Megen. Van Marrie Bot zijn de
spraakmakende series 'Miserere' (grote bedevaarten in Europa) en
‘Een
Laatste Groet’ (over rouwrituelen in Nederland) in hun geheel
aanwezig; van Bertien van Maanen haar aandeel aan het project
'Dienstmaagd des Heeren' (over vrouwen in de katholieke kerk).
De
collectie dekt niet alles wat er op
het
 |
| Zusters Clarissen Megen, Guus Bekooy |
gebied van religieuze kunst in Nederland en de ons
omringende
landen wordt gemaakt. Daarvoor zijn de middelen ontoereikend en
daarvoor staat de religie sinds enige jaren te sterk in de
belangstelling van de kunstenaars. Niet omdat de kunstenaars nu
opeens zoveel meer gelovig zijn geworden dan de doorsnee
Nederlander
of Vlaming, wel omdat zij een meer dan gemiddeld oog hebben
ontwikkeld voor de beelden van smart en hoop, voor de mythen en
verhalen, voor het aardse en het mysterie die door de religies in het
algemeen, en door christenen bij ons in het bijzonder, zijn
voortgebracht.
Wouter Prins
(aangepaste versie van artikel
verschenen in de MRK museumkrant 1998)
|