|
Een Piëta uit den Bosch |
|
|
Midden jaren zestig van de vorige eeuw woedde er binnen de katholieke een ware ‘beeldenstorm’. Vaandels, heiligenbeelden, zelfs delen van het meubilair werden de kerk uitgewinkeld en op straat bij het oud vuil gezet of aan parochianen meegegeven. Vooral de zoete, neogotische gipsen beelden moesten het ontgelden. De Bossche kunstenaar Jacques Frenken, voorheen actief als schilder en glazenier, verzamelde de afgedankte gipsen, verzaagde en beplakte ze en assembleerde ze tot beelden met een nieuwe betekenis, een nieuwe iconografie.
Deze Piëta werd doorboord met 365 spijkers, waardoor de smart die het neogotische beeld in wezen uitstraalt, werd geaccentueerd en geactualiseerd. Niet iedereen kon Frenken hierin volgen. Binnen conservatieve katholieke kringen werd hij uitgemaakt voor godlasteraar. Impliciet leverde de Bossche kunstenaar echter kritiek op het meer progressieve katholieke volksdeel, dat zich zonder enige schroom ontdeed van zijn erfenis.
