|
Een monstrans uit Seppe |
|
|
|
De redemptoristen zijn vooral als ‘prekers’ bekend geworden. Op bepaalde tijden – tijdens de ‘missie’ en retraites - verschenen zij in de parochies om de gelovigen eens bij te preken over het katholieke geloof in het algemeen en de katholieke levenswandel in het bijzonder. Vaak sprak men dan met donder en bliksem. Het waren echte donderpreken. Nu hadden de redemptoristen hier niet het alleenrecht op, ook capucijnen en andere ordegeestelijken konden er wat van, maar de redemptoristen hadden zich hierin toch wel gespecialiseerd. De congregatie werd al in 1732 door de H. Alphonsus van Liguori gesticht maar vestigde zich pas in 1836 in Nederland. Hun belangrijkste uitvalsbasis werd Wittem in Zuid-Limburg, dat tevens uit zou groeien tot een belangrijk bedevaartsoord voor en van de H. Gerardus Majella. Een andere heilige, die bij de redemptoristen in hoog aanzien stond was de H. Clemens Hofbauer, die vooral bekendheid kreeg als hulp bij ‘hopeloze zaken’. Alle drie worden zij op de kruisarmen van deze monstrans afgebeeld. In 1903 werd hij door de bekende Bossche edelsmid Jos Jonkergouw gemaakt. En wel ter gelegenheid van de inwijding van het nieuwe noviciaat, opleidingsinstituut, van de paters redemptoristen in ’s-Hertogenbosch. Toen deze opleiding in de jaren ’60 van de vorige eeuw gesloten werd bracht men de monstrans over naar het piepkleine dorpje Seppe. Hier hadden de paters een beroemd retraitehuis met een aanpalende kapel. Maar, ondanks zijn faam, werd ook dit huis gesloten. Vervolgens werd de monstrans naar het klooster van Roosendaal gebracht. Maar ook dit klooster werd opgeheven. Vervolgens verhuisde de rijk versierde en voor zijn tijd tamelijk moderne monstrans naar Wittem, naar het moederhuis van de congregatie. De zwerftocht eindigde in Uden. Daar functioneert hij niet meer als een gewijd voorwerp waarin de H.Hostie getoond wordt maar verhaalt de monstrans als een prachtig staaltje edelsmeedkunst over de bewogen geschiedenis van de redemptoristen in Nederland. |
