In
de inventaris van het museum staat
dit stuk omschreven als een ‘votiefschildering met politiek
oogmerk’. Een niet alledaagse karakterisering voor een niet
alledaags schilderij.
Het paneel verbeeldt het ontstaan van
de abdij van Berne. De stichting van de abdij zou teruggaan op de
volgende legende: ''Toen Fulco op een keer door de Bommelerwaard
ging, legden zijn vijanden hem een hinderlaag bij het dorp Hemert.
Toen hij geen kans zag te ontsnappen stortte hij zich met paard en al
van de hoge oever in de diepe rivier. En, o wonder, het paard bracht
hem ongedeerd dwars door de diepe stroom naar de andere oever, naar
zijn kasteel. En terwijl hij in dit grote gevaar verkeerde, beloofde
hij God, om zichzelf en zijn gehele bezit in Zijn dienst te
stellen.''
In een andere legende wordt ook Maria
genoemd. Maria zou, als een ‘lief klein meisje’
tijdens de
hachelijke oversteek achter op het paard verschenen zijn, en Fulco
veilig naar de overkant van de oever hebben geloodst. Fulco kwam zijn
belofte na. Dankzij zijn schenking kon in 1134 de Norbertijner Abdij
van Berne gesticht worden.
Het paneel werd echter niet in de
twaalfde eeuw geschilderd, maar pas veel later, tussen 1570 en 1600,
tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De schilder heeft opvallend vaak en
op niet mis te verstane wijze het Kleefse wapen in beeld gebracht.
Dit wijst op een politiek motief. Men wilde met dit paneel aangeven
dat Berne niet onder de Meierij van Den Bosch, onder de Staten viel.
Nee, Berne zou tot Kleef behoren. En in de Kleefse gebieden golden,
anders dan in die van de Staten, geen beperkende maatregelen tegen
het katholieke geloof.
Het mocht niet baten. Berne werd
uiteindelijk wel ingelijfd bij Staats Brabant en na de Vrede van
Munster werden de Norbertijnen definitief gedwongen afstand te doen
van hun abdij. Zij weken uit naar de Zuidelijke Nederlanden om pas in
de negentiende eeuw terug te keren naar Heeswijk-Dinter, waar tot op
de dag van vandaag de Abdij van Berne functioneert.
|
|