Actueel
Passie
-Reinoud van Vught - Marc Mulders
Vanaf zaterdag 20 maart t/m zondag 6 juni 2010
Judas Iscariot
-Pavèl van Houten
Vanaf zaterdag 20 maart t/m 23 mei 2010
Tentoonstelling "Rijksmuseum
in de abdij" tot
najaar 2012
Interessant...
Introductie
Impressies
Collectie
Modernen
1001 Vragen aan de zusters
Website zusters Birgittinessen Uden
Externe links

Tel.: +31 (0)413 26 34 31 - mail - Museum voor Religieuze kunst, Uden ©1972-2010-Alle rechten voorbehouden | Een © Syslox product

De birgittijnse abdij ‘Maria Refugie’ in Uden

De meest gestelde vragen in het museum hebben betrekking op de abdij en haar bewoonsters. ‘Zijn er nog zusters, met hoeveel zijn zij nog en hoe oud zijn zij?’. Steevast is het antwoord positief. Momenteel wonen er in de abdij zes zusters waarvan er één als nieuwe, jonge zuster in 2003 haar eeuwige gelofte heeft uitgesproken. Momenteel is zij priorin van de abdij, de rechterhand van de abdis.

Vaak wordt op dit antwoord gereageerd met een mengeling van verbazing en verwondering: nog steeds zusters en dan nog wel zo streng levend, opgesloten in zo’n groot klooster en gehuld in zulk een merkwaardige dracht?


De zusters in koorgebed, 2001

Zij leven inderdaad in de ogen van de meeste, geïnteresseerde buitenstaanders mogelijk raar en streng. Afgezonderd van de buitenwereld en nog steeds achter dikke tralies. Sober levend in dienst van God met zo’n raar kapje op hun hoofd. Dat merkwaardig kapje op hun zwarte sluier is de birgittijnse kroon. Het zijn drie witte banden die met elkaar verbonden zijn. Zij vormen een cirkel, zonder begin en zonder einde, rond het hoofd en een kruis over het hoofd. Daar waar de banden elkaar ontmoeten, op de vijf raakvlakken, zitten vijf rode punten. Zij herinneren aan de vijf wonden van Christus. Pure symboliek dus. Het mooist wordt deze symboliek verbeeldt in een beeld van de H. Birgitta van de hand van de meester van ‘Soeterbeeck’. Ooit werd dit beeld vervaardigd voor de abdij. Tegenwoordig staat het in het Metropolitan Museum in New York. Op het eind van de negentiende eeuw hebben de zusters dit beeld uit pure armoede verkocht. De rode punt op het voorhoofd is bij dit beeld vervangen door een bergkristal. Achter deze doorzichtige steen was oorspronkelijk een reliek, een stukje van het H. Kruis van Christus opgeborgen. Bij de Orde van de H. Birgitta van Zweden staat de overweging van het lijden van Christus en Zijn wederopstanding uit de dood namelijk centraal. De Goede Week, de week voor Pasen en het Paasfeest zelf, dat de Verrijzenis van Christus herdenkt, vormen dan ook de absolute hoogtepunten in het kloosterleven van de abdij. Na het lijden, na de dood volgt altijd het nieuwe leven. Deze hoop, dit geloof in het nieuwe leven na de dood vormt de kern van de levenswijze van de zusters. Niet alleen voor zichzelf. Met hun kloosterleven, puur, met een vaste dagindeling en afgezonderd, willen zij ook voor anderen een steun zijn. Voortdurend worden de zusters benaderd door derden met het verzoek voor hen te bidden. Dat doen zij in stilte, vaak zwijgend en levend van de vruchten van het land, van de oogst uit hun moestuin. Hun boerderij is niet meer in gebruik, die maakt tegenwoordig deel uit van het museum. Melk en kaas komen voortaan van elders en ook het schaars opgediende vlees wordt ‘geïmporteerd’. Men is momenteel met te weinigen om helemaal selfsupporting te zijn. Maar de idee om alles zelf te doen is nog springlevend.

U bent dan ook te gast in een museum dat grenst aan een levende abdij. Een trotse abdij, waar de woorden van hun eigengereide oprichtster Birgitta van Zweden nog dagelijks doorklinken.

De Orde, die officieel de Orde van de Allerheiligste Zaligmaker heet, werd in de veertiende eeuw door de H. Birgitta, een hoogadellijke Zweedse mystica, gesticht. Het was op de eerste plaats een hervormingsbeweging, een reactie op het Westers Schisma – de Kerk was in die dagen ernstig verdeeld- en de verslapping van de kloosterdiscipline. Birgitta, nauw gerelateerd aan het Zweedse koningshuis, was een sterke vrouw, die er niet voor terugdeinsde o.a. de paus flink de les te lezen. Zij ondernam ook talrijke pelgrimstochten. Op een van deze reizen overleed zij in 1373 te Rome.

Verschillende scènes uit haar leven worden afgebeeld op de bronzen deuren die in het museum toegang verlenen tot het eigenlijke territorium van de huidige abdij.

Op deze deuren wordt ook een van de vroegste visioenen van Birgitta afgebeeld. Het is de scène waarin de gekruisigde Christus aan de nog kleine Birgitta verschijnt. Deze en andere visioenen werden door Birgitta aan haar biechtvader verteld die hen later op schrift stelde. Deze visioenen worden aangeduid met de ‘Openbaringen van de H. Birgitta van Zweden’. Deze ‘Openbaringen’ hebben veel invloed gehad op zowel het kloosterleven als op de beeldende kunst. In een van de handschriften in het museum, het beroemde handschrift van Peter Danielszoon van Dordrecht (1457), wordt Birgitta zittend afgebeeld terwijl zij zelf schrijft aan haar ‘Openbaringen’. Achter haar staat een engel die haar de woorden influistert. Bij een ander beeld in het museum, omstreeks 1510 gesneden door de Meester van Elsloo, wordt Birgitta staande uitgebeeld. Op haar rechterschouder zijn nog juist twee vogelpootjes te zien. Hier zat eens een duif, het symbool van de H. Geest, die Birgitta inspireerde.

Birgitta van Zweden schrijft aan haar ‘Openbaringen’,
Miniatuur uit getijdenboek, 1457
Beeld van de Birgitta, 
Meester van Elsloo, ca. 1510
Museum voor Religieuze Kunst Uden 

Birgitta heeft zelf niet mogen meemaken dat haar regel werd goedgekeurd. Daarvoor was zij te kritisch. Een paus op zijn nummer zetten werd niet zo gewaardeerd. Haar dochter Karin, die later ook heilig verklaard werd, heeft dit wel mogen ervaren. Op 3 december 1378 keurde paus Urbanus VI de regel definitief goed en werd in de oude Zweedse koningsstad Vadstena het eerste klooster van de orde gebouwd en voltooid. Het was een dubbelklooster, precies zoals Birgitta had bepaald. In feite waren het twee kloosters, één voor de paters en één voor de zusters. Zij werden van elkaar gescheiden door de centrale kapel met voor beide groepen een geheel eigen ingang. Aan het hoofd stond een abdis.

Het eerste klooster in Nederland: ‘Mariënwater’ te Koudewater bij ‘s-Hertogenbosch

In het begin van de vijftiende eeuw ondernam de rijke weduwe Milla van Campen pogingen om in de Hanzenstad Kampen tot de oprichting te komen van een birgittijnse abdij. Economische en politieke omstandigheden in zowel de stad Kampen als binnen het bisdom Utrecht, maakten dit evenwel onmogelijk. Milla van Campen week daarop uit naar ‘s-Hertogenbosch, destijds de meest noordelijk gelegen grote stad van het Hertogdom Brabant. Deze stad en haar omgeving vielen toen nog onder het bisschoppelijk gezag van Luik. Ook de stichting van de abdij Mariënwater tussen 1434 - 1444 op het landgoed Koudewater verliep niet geheel probleemloos. Maar zij kwam er en aan deze stichting is tevens een prachtige legende verbonden. Deze luidt als volgt:

Op zekere dag liep de eigenaar van het landgoed ‘Koudewater’ bij Rosmalen langs zijn bijenkorven en dacht een hemels gezang te horen. Hij luisterde aandachtiger en ja hoor, er klonk duidelijk gezang. Meerstemmig nog wel en daarbij waren duidelijk beurtelings mannen- en vrouwenstemmen te ontwaren. Het gezang klonk op uit een van zijn bijenkorven. Toen hij deze nader onderzocht vond hij in de korf een kloostertje van bijenwas. En het was geen gewoon kloostertje. De bijen hadden en dubbelklooster vervaardigd! Milla van Campen, die in Kampen bot had gevangen bij haar pogingen om bij die Hanzestad een birgittijnse dubbelabdij te bouwen hoorde van dit verhaal en zou spoorslags naar ‘Koudewater’ zijn afgereisd. Daar zou het klooster gebouwd moeten worden. De tekenen waren immers duidelijk.

Het werkelijke verhaal is veel prozaïscher en de abdij, die ook wel met ‘Koudewater’ wordt aangeduid, moest eerst de nodige kinderziektes overwinnen. Spoedig evenwel zou zij uitgroeien tot een bloeiende gemeenschap en tot een belangrijk cultureel en spiritueel centrum. Zij werd de moeder van talrijke dochterstichtingen in de Nederlanden en daarbuiten, bezat een eigen scriptorium en bleek telkenmale voldoende weerstand en veerkracht te bezitten om interne en externe moeilijkheden te overwinnen. De abdij overleefde zelfs, zij het gehavend, de troebelen van de 80-jarige oorlog en de decreten van de Staten Generaal van Holland na de Vrede van Munster in 1648.

De abdij had daarbij wel enkele veren moeten laten; het dubbelklooster te Koudewater ging verloren. Na de val van de onneembaar geachte stad ’s-Hertogenbosch in 1629 werd namelijk bepaald dat de mannelijke geestelijkheid direct de stad of de omgeving hiervan diende te verlaten. De vrouwelijke geestelijkheid werd toegestaan met een schamel pensioen van de staat uit te sterven. Spoedig zou deze bepaling ook de birgittijnse dubbelabdij Mariënwater (Koudewater) treffen: de paters dienden te vertrekken, de zusters mochten tot hun dood in het klooster blijven leven. De paters vertrokken daarop eerst naar Mishagen, iets later naar Hoboken bij Antwerpen waar zij zich in 1652 zouden vestigen. Hoewel zij het klooster te ‘Koudewater’ verlaten hadden, zouden zij hun banden met Mariënwater niet verbreken. Er bleef altijd wel een verbindingspersoon op Koudewater achter.

Er zijn aanwijzingen dat vooral de paters ernaar streefden om te Hoboken weer een birgittijnse dubbelabdij te bouwen. Dit is evenwel niet gebeurd. Het post-Tridentijnse Rome, het Rome van na de Reformatie, zat niet te wachten op nieuwe dubbelabdijen. Men vond het maar gevaarlijke zaken. Daar kwam nog bij dat de zusters zo lang mogelijk op ‘Koudewater’ in hun klooster wilden blijven. Zij voelden niks voor een verhuizing naar het Zuiden, de paters achter na. Zij bleven hopen op betere tijden en op het definitieve herstel van het klooster te Koudewater. Met hulp van buitenaf, vooral afkomstig van het klooster Marien-Bloem te Kalkar, een kleindochter van Mariënwater, wisten zij hun verblijf te Koudewater te rekken. Dit lukte tot het overlijden van de laatste in Mariënwater geprofeste zuster. Zij, Maria Verdonck, overleed op 7 oktober 1711. Binnen enkele jaren zou nu definitief het doek vallen en werd Mariënwater verkocht. Hoewel de beslissing tot openbare verkoop niet onverwacht kwam en de toenmalige priorin Alexia de Haen in 1710 al een oud kloostertje in Uden, een dorp in het Vrije Land van Ravenstein had gekocht, bleven de zusters, van elders afkomstig of heimelijk ingetreden, vasthouden aan Mariënwater. Zelfs toen zij op 14 september 1713 naar Uden vertrokken lieten zij nog enkele zusters achter op Mariënwater. De paters kozen definitief voor Hoboken, een keuze die geregeld tot merkwaardige verhoudingen leidde tussen Uden/Mariënwater en de belangen van de naar Hoboken uitgeweken paters.

In Uden leefde men intussen in grote armoede maar nog steeds in de hoop ooit terug te keren naar Marienwater. Op ‘Koudewater’ verkochten de paters alles wat los of vast zat, of namen het mee naar Hoboken. De verhouding tussen paters en zusters werden er niet beter op. Zelfs het besluit om de abdij definitief te verplaatsen van Koudewater, kerkelijk onder het bisdom ‘s-Hertogenbosch, naar Uden, kerkelijk onder Luik, werd aangegrepen om het bestuur van het nieuwe klooster te Uden in diskrediet te brengen. Ook de stichting te Uden en de afwerking van de erfenis ‘Koudewater’ verliep dus bepaald niet zonder problemen. Maar de zusters toonden zich altijd even taai en vastbesloten als hun stichteres die ook voor niemand opzij ging.


Klooster ‘Maria Refugie’ te Uden

Eenmaal definitief van start in Uden zou het klooster ‘Maria Refugie’ zich in de loop van de achttiende eeuw voorspoedig ontwikkelen. Maar in 1794 leek de geschiedenis zich echter te gaan herhalen. In dat jaar liepen de Fransen de soevereine heerlijkheid Ravenstein onder de voet. Enkele jaren later verkochten zij de heerlijkheid aan de Bataafse Republiek. De zusters werden uit hun klooster verdreven, dat onteigend werd. Maar spoedig keerden zij weer als ‘huurders’ van hun eigen gebouwen terug. En weer, in 1814, werden zij met uitsterven bedreigd. Maar nu zonder pensioen. Deze maatregel, decreet van suppressie genoemd, werd ingevoerd door Napoleon en zou later bevestigd worden door Koning Willem I.

Door wederom burgerlijk ongehoorzaam en inventief te zijn wist ‘Maria Refugie’ haar bestaan te rekken tot 28 november 1840 toen koning Willem II de troon beklom. Bij deze gelegenheid werd het novicenverbod opgeheven. Er mochten weer zusters toetreden. En die stonden al klaar. Een dag na de inauguratie van de koning werden er in het klooster vijftien nieuwe zusters opgenomen. Het waren vrouwen die tot dat moment aangeduid werden met ‘pensionairen’ maar in feite al gewoon deel uit maakten van de communiteit.

De abdij zou zich weer herstellen. De zusters bleken zelfs in staat in de loop van de negentiende eeuw hun eigen, maar nog steeds geconfisqueerde, kloostergebouwen van de staat terug te kopen. Daartoe moesten wel de nodige kunstschatten verkocht worden.

Ook het oude kloosterleven werd zo veel mogelijk hersteld. In 1843 werd vanuit ‘Maria-Refugie’ een nieuw klooster gesticht: ‘Maria-Hart’ te Weert. Later, in 1963, zond de abdij ‘Maria Refugie’ de eerste vier zusters uit naar Zweden om daar, te Vadstena, de oude regel te herstellen.

Het zusterkoor van de abdij De refter van de abdij

De huidige abdij ‘Maria Refugie’ met haar bewogen en rijke historie, is een van de oudste nog bestaande vrouwenkloosters in Nederland. De abdij, in anciënniteit de eerste onder de huidige birgittijnse kloosters, wordt nog steeds bewoond door volgelingen van de H. Birgitta van Zweden en vormt met haar gebouwen en interieur een uiterst gaaf voorbeeld van kloosterbouw uit het begin van de achttiende eeuw. Voor Nederland is het een cultuurdocument van de eerste orde waar middeleeuws gedachtegoed, birgittijnse spiritualiteit en de eenentwintigste eeuw harmonieus in elkaar overvloeien. Zeker nu de oude abdijvleugels totaal zijn gerenoveerd voor museaal gebruik en vele beelden, ooit uit armoede verkocht, vanuit het Rijksmuseum terugkeren naar de plek van herkomst.


Het koor van de kapel

Léon van Liebergen